The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0338: De brand in de chemische fabriek

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0338: De brand in de chemische fabriek

Author: Kurt Matull

Theo von Blankensee

Felix Hageman


Release date: April 23, 2026 [eBook #78531]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78531

Credits: The Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0338: DE BRAND IN DE CHEMISCHE FABRIEK ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN ROMAN-, BOEK- EN KUNSTHANDEL—SINGEL 326,—AMSTERDAM.

[Inhoud]
DE BRAND IN DE CHEMISCHE FABRIEK.

DE BRAND IN DE CHEMISCHE FABRIEK.

HOOFDSTUK I.

De nieuwe springstoffen.

Sedert eenige dagen heerschte er een gedrukte stemming op het kantoor van de heeren Macdara en Palmer, fabrikanten van chemische stoffen, die een tamelijk groote fabriek hadden in de Bisshop street te Londen.

Er scheen iets tusschen de beide firmanten te zijn, een oneenigheid, welke haar invloed ook liet gelden tusschen de muren van het kantoor, waar de boekhouder, de facturist, de kassier, en de beide klerken bijeen zaten.

Wat het precies was, wist niemand, want het was alleen aangewezen op vermoedens, maar dat de beide compagnons oneenigheid hadden, dat was duidelijk genoeg te zien.

Macdara en Palmer hadden de zaak ongeveer acht jaar geleden opgericht en tijdens den oorlog hadden zij tamelijk groote winsten gemaakt, die hun in staat hadden gesteld, hun fabriek vrij aanzienlijk uit te breiden, die aanvankelijk niets anders was geweest dan een oud pakhuis, voor het doel verbouwd.

De nieuw gebouwde fabriek lag in een der nieuwste gedeelten van de Bisshop street, aan de grens van de stad gelegen, en de beide firmanten hadden een groot terrein kunnen koopen, waar zij zich ook bezig hielden met de vervaardiging van springstoffen, al was het dan ook op kleine schaal, daar de wet voorschreef, dat er rondom een fabriek een strook van vele tientallen meters onbebouwd moest blijven.

Het personeel der fabriek bestond uit ongeveer veertig man.

Het kantoorgebouw bevond zich op de eerste verdieping, gelijkvloers was de eigenlijke fabriek, waar chemische producten werden vervaardigd, ten behoeve van de fotografie, de geneeskunde, de kleurstoffenfabricate en andere zaken. [2]

Langzamerhand hadden de beide compagnons het gebied van hun werkzaamheden uitgebreid en zij vervaardigden nu aspirine, zoowel als koolzure natrium, digitaline en ook metol.

In den laatsten tijd had Macdara zich toegelegd op de fabricage van aniline kleurstoffen in de hoop, dat hij iets zou kunnen produceeren, gelijkwaardig aan de voortreffelijke Duitsche kleurstoffen, maar ondanks zijn pogingen was hij hier niet in geslaagd.

De beide compagnons hadden heel wat geld besteed aan de talrijke proefnemingen, maar ter beurze werd algemeen gezegd, dat hun zaak er goed voorstond.

Op de derde verdieping van het fabrieksgebouw bevond zich een zeer groot laboratorium, en daar waren ook de donkere kamers tot onderzoek van nieuwe kleurgevoelige zilververbindingen, en eenige werkplaatsen.

Tenslotte waren op de vierde verdieping de magazijnen, waar de afgewerkte producten waren opgestapeld, op de groote, luchtige zolders.

Het particuliere kantoor van de beide firmanten zag met twee ramen op de straat uit, en was van het kantoor van het personeel gescheiden door een wand, die ter halver hoogte uit matglas bestond, en waarin zich een communicatiedeur bevond.

Een tweede deur kwam op een breede gang uit en tenslotte gaf een derde den toegang tot een soort ontvangkamer, bestemd voor de clientèle, en die weer in verbinding stond met een dwarsgang.

Zoowel met de breede trap als met een electrische lift kon men de verschillende verdiepingen bereiken.

Het was op een morgen in het begin van de lente toen het kantoorpersoneel fluisterend bijeen zat, nu en dan naar de tusschendeur loerend.

De boekhouder, een man van een jaar of veertig, met dichte, zwarte wenkbrauwen en breede kaken, Banks geheeten, boog zich naar den facturist over, een oud mannetje zonder eenige spoor van haargroei Coffey geheeten en zeide op zachten toon:

„Ik gaf een lief ding als ik weet, waar zij nu eigenlijk ruzie over hebben. Er wordt toch geld verdiend, nietwaar Duckket?”

Deze vraag was gericht tot den kassier, een man van bijna zestig jaar, met een sluw, rimpelig gezicht, en die een verbazend grooten zwaren bril op de punt van zijn neus liet balanceeren.

„Dat is geen geheim,” antwoordde Duckket met een knipoogje. „Er zijn zeker veel zaken die veel grooter zijn dan de onze, maar die hebben dan ook veel grooter kosten,—en het gaat ons goed, als wij geen al te groote sprongen willen maken, dan zal de zaak er wel op vooruit gaan. Het is vreemd, maar sedert de jonge Jack Helford, de nieuwe chemicus hier is, die protégé van Lord William Aberdeen, lijkt het wel alsof alles van een leien dakje gaat.”

Deze opmerking ontlokte een schamper lachje aan den eersten klerk, Heywood geheeten, een jong mensch van twee of drie en twintig jaar, netjes gekleed en met een bleek gelaat.

„Ik kan niet inzien, dat de nieuweling zoo veel bijzonders verricht,” zeide hij minachtend, „pas op Duckket, ik geloof waarlijk, dat jij ook al een oogje hebt op zijn mooie zuster Ellen.”

„Van dergelijke grapjes zult u mij wel verschoonen, mijnheer Heywood,” hernam Duckket, terwijl hij een nijdig rukje aan zijn pijp gaf. „Ik ben te oud en te lang hier in dienst om mij door zuigelingen als gij zijt, voor den gek te laten houden.”

„Wordt nu maar niet dadelijk zoo kwaad, Duckket! riep Banks lachend uit, terwijl hij den kassier op de magere schouders klopte.

„Het zou zoo bijzonder niet zijn, dat iemand naar Ellen kijkt, die daar eigenlijk al te oud voor is,” bromde Heywood. „Ik vertel niets nieuws als ik zeg, dat Palmer haar naloopt.”

Met een slag van zijn platte hand op zijn lessenaar viel Duckket uit.

„Ik verzoek je nu in ernst, Heywood, met wat meer eerbied over je patroon te spreken.”

„Stil maar, oudje,” hernam de eerste klerk op spottenden toon. „Ik zal niet meer aan het heilige huisje raken.”

„Bovendien, Heywood, je praat waanzinnig,” zeide Parker, de tweede klerk, „het is immers bekend, dat de heer Palmer zijn blikken elders heeft laten vallen.”

„Ik weet wat je bedoelt, op de aanstaande van onzen chemicus, Maud Fleming.”

„Ik geloof dat het beter is, liet nu het schrale stemmetje van Coffey, den facturist zich hooren, „als wij dergelijke intieme aangelegenheden niet ter sprake brachten. Alles wel beschouwd is dit een kantoor en geen besjeshuis.” [3]

„Dat zou men anders van jou niet zeggen, Coffey,” riep Heywood met een sarrend lachje, en daarop draaide hij zich op zijn hooge kruk om, en hield zich onledig met het schoonmaken van zijn nagels, waaraan hij groote zorg placht te besteden.

Zachtjes neuriede hij daarbij een der jongste danswijsjes voor zich heen, opgevangen in een van de nachtcabarets, waarvan hij een trouw bezoeker was.

En een seconde later was ieder weer druk aan het werk, want de tusschendeur ging open en op den drempel verscheen een krachtig gebouwd man, niet ouder dan veertig jaar met breede schouders, een vlezig gelaat en scherpe oogen, die half verborgen waren onder borstelige wenkbrauwen.

Het was Thomas Macdara, een van de beide compagnons.

Hij bleef een oogenblik in de deuropening staan, een sigaar tusschen de lippen, en de handen in de zakken van zijn colbert.

Hij monsterde de leden van zijn personeel een voor een, en zeide toen:

„Mag ik de heeren er even op attent maken dat ik hen betaal om te werken en niet om als oude wijven te kletsen.”

Niemand antwoordde, en alleen Heywood wierp een loerenden blik op zijn patroon, maar keek dadelijk weer voor zich toen deze hem aanzag.

Nog een oogenblik bleef Macdara staan en daarop ging hij weder heen, de deur achter zich dichtslaand.

„Tuig!” bromde hij voor zich heen. „Als men het niet voortdurend achter de vodden zit besteden zij hun tijd aan spelen en praten en allerlei nonsens, vooral dat jonge goed is lui en onbetrouwbaar.”

Hij wierp zijn halve groote sigaar op zijn aschbak, trad op zijn schrijfbureau toe, opende een sandelhouten kistje, en nam er een versche sigaar uit.

Hij beet er met een krachtigen ruk van zijn scherpe tanden de punt af, spoog die op het dikke vloerkleed uit, en stak zijn sigaar aan.

Met de handen in de zakken, het hoofd op de borst gebogen, en gefronst voorhoofd, liep hij langzaam door het vertrek op een breeden leunstoel van dik leder toe en liet er zich in neer vallen.

Hij strekte de beenen voor zich uit, bleef even onbewegelijk voor zich uitstaren en scheen zachtjes iets voor zich heen te mompelen, dat echter niemand had kunnen verstaan ook al had men zich vlak naast hem bevonden.

Toen strekte hij langzaam de hand uit, tot zijn vinger ruste op de electrische bel op den rand van zijn schrijftafel.

Even scheen hij nog te aarzelen, en toen drukte zijn vinger de bel neder.

Er trad een kantoorjongen binnen, die eerbiedig op den drempel bleef staan.

„Is mijnheer Helford er al?” vroeg Macdara zonder op te zien.

„Mijnheer is zooeven naar het laboratorium gegaan.”

„Ga naar hem toe en vraag of hij even hier wil komen, haast je wat!”

De jongen verliet het vertrek, en Macdara bleef weder alleen.

Niets bewoog nu aan hem, behalve zijn lippen, die zware rookwolken uit zijn sigaar trokken.

Er verstreken een paar minuten en daarop ging de deur opnieuw open, en een jonge man trad binnen, gehuld in een witte laboratoriumjas, die hem tot op de hielen hing en waarvan de mouwen om de polsen waren gesloten.

Hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar zijn en had een knap en intelligent gelaat, waarin twee groote bruine oogen schitterden.

Hij sloot de deur achter zich en bleef toen rustig staan, tot de ander het woord tot hem zou richten.

Maar Macdara scheen in het geheel niet te bemerken dat er iemand binnen getreden was en bleef in dezelfde houding zitten, tot de stem van Helford hem uit zijn gepeins opschrikte die zeide:

„Hier ben ik, mijnheer Macdara. U heeft mij laten roepen?”

De fabrikant sprong op, wierp zijn sigaar weg, streek even met de rechterhand over de oogen en antwoordde toen:

„Ja, Helford, ik wilde je wel even spreken, heb je het druk?”

„Dat gaat vrijwel, mijnheer, wij zijn nu juist bezig aan het onderzoeken van een nieuwe stof, die het celluloid moet vervangen.”

„Hoe staat het met mijn kleurstoffen?”

„Ik moet u tot mijn spijt mededeelen, mijnheer Macdara, dat zij helaas niet houdbaar zijn gebleken. [4]Het blauw was nog het beste uitgevallen, maar het was niet tegen de ontkleuringsproef bestand.”

Macdara beet zich op de lippen en in zijn voorhoofd trok een diepe rimpel.

Hij scheen even na te denken en vervolgde, terwijl hij zijn donkere oogen strak op het gelaat van Helford gevestigd hield:

„Luister eens hier, Helford, je hebt in de laatste weken met mijnheer Palmer samen gewerkt, nietwaar, aan de proeven om tot de samenstelling te geraken van een nieuw springmiddel, veel krachtiger en veel gevaarlijker dan dynamiet, bariet, en petrol?”

„Dat is inderdaad zoo, mijnheer,” antwoordde Helford, en er scheen eenige bevreemding in zijn stem te komen.

„Ik vraag je dit, omdat ik tot mijn spijt heb moeten constateeren dat mijn compagnon mij een weinig buiten deze aangelegenheid heeft gehouden, en zoodoende moet ik mij wel tot onzen chemicus wenden ter verkrijging van nadere bijzonderheden,” voegde hij er met een kort lachje aan toe.

„Dan zal ik u een teleurstelling moeten bereiden, mijnheer,” hernam Helford, eenigszins afgemeten, „want mijnheer Palmer heeft slechts van mijn hulp gebruik gemaakt, voor het bereiden van verbindingen die reeds algemeen bekend zijn. Gij weet echter waarschijnlijk even goed als ik, dat uw compagnon zeer groote verwachtingen koestert van zijn nieuwe springstof, en dat hij er reeds proeven mee heeft genomen, die haar kracht en betrouwbaarheid aantoonden. Het verbaast mij eigenlijk een weinig.….….”

„Dat ik er niet meer van weet?” vulde Macdara op doffen toon den zin aan, „ja, het is ook nogal vreemd dat de eene compagnon geheimen heeft voor den andere en op zijn eigen gelegenheid proeven neemt met een zijner uitvindingen. Gij zijt dus volstrekt niet op de hoogte van de samenstelling van zijn springstof?”

„Ik weet er volstrekt niets meer van, dan gij zelf, mijnheer,” antwoordde de jonge chemicus koeltjes.

„Dan wil ik u niet langer ophouden, waarde Helford,” hernam Macdara snel. „Ga dan maar weer aan uw werk en goed succes verder.”

Hij wuifde even met zijn sterke hand ten afscheid en Helford verdween met een korte buiging.

Macdara bleef weder alleen, en begon met korte stappen door het groote vertrek heen en weer te loopen.

„Hij zal het mij mededeelen,” mompelde hij voor zich heen. „Millioenen en nog eens millioenen is er met deze uitvinding te verdienen, en dat zou hij alleen voor zich zelf willen houden? Wel, dat zullen wij zien, mijnheer Palmer. Ik wil niet langer dat bekrompen leven voeren, niet langer aan het hoofd staan van een derde rangs fabriek, zooals er duizenden zijn. Ik wil genieten van het leven, ik wil mijn aandeel van de millioenen.”

Op dit oogenblik ging de deur snel open en Joseph Palmer, de compagnon, trad binnen.

Hij was omstreeks tien jaren ouder dan Macdara, maar blijkbaar een levenslustig man met groote zorg gekleed, en met een orchidee in het knoopsgat.

Men trof hem als trouwen gast in een der nieuwste danspaleizen in de city, en hij scheen het vak van uitvinder zeer goed te kunnen vereenigen met het beroep van bon viveur.

Hij was verre van kieskeurig in zijn middelen en men noemde algemeen zijn geweten zeer ruim.

Hij keek Macdara een oogenblik schuins aan, met iets als spot en leedvermaak in zijn kleine, doordringende grijze oogen, trok toen langzaam zijn handschoenen uit, hing zijn jas en zijn hoed op, bekeek zijn nagels eens, en vroeg toen, terwijl hij voor Macdara stilstond.

„Nog altijd uit je humeur, compagnon? Je ziet er uit als zeven dagen slecht weer!”

„Ik verzoek je dringend niet te spotten, Palmer,” zeide Macdara tusschen de tanden. „Ik vraag je nu voor de laatste maal of je van zins bent, mij op de hoogte te brengen van je uitvinding.”

„En ik antwoord je voor de zooveelste maal, Macdara, dat ik er niet aan denk,” antwoordde Palmer rustig terwijl hij zijn sigarettenkoker te voorschijn haalde. „Ik zou ook niet weten waarom ik je deelgenoot van mijn uitvinding zou maken, die tusschen haakjes, gisteren haar beslag heeft gekregen. Het middel werkt voortreffelijk en kan in groote hoeveelheden vrij gemakkelijk worden aangemaakt. Ik heb het echter geheel alleen ontdekt, [5]ik heb de formule opgesteld—ze zit hier in mijn binnenzak, als het je soms interesseert, en ik zie niet in waarom ik jou van de voordeelen mee zou laten genieten!”

„Maar voor den duivel, wij zijn toch compagnons!” gromde Macdara, terwijl hij de vuisten balde.

„Ongetwijfeld, maar in het contract betreffende onze vennootschap wordt nadrukkelijk gestipuleerd, dat geen van de beide contractueerenden eenig recht kan doen gelden op geldelijk voordeel voortvloeiend uit de uitvindingen, die geheel en al het werk zijn van den ander, je zult je er dus in moeten schikken, dat ik het Palmerit, dat ik geheel alleen heb uitgevonden, ook alleen exploiteer. En laten wij nu alsjeblieft niet verder over de zaak spreken, daarbij blijft het.” [6]

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Een noodlottige ramp.

Drie dagen waren verloopen sinds dat gesprek.

Het was omstreeks acht uur in den avond. De kantoorbedienden van de chemische fabriek in de Bisshopstreet waren reeds lang naar huis gegaan en de fabriek lag daar donker en verlaten.

Maar eensklaps stond er een agent van politie die voor de fabriek passeerde stil en keek verschrikt naar een venster van de derde verdieping, waaruit een dikke rookwolk te voorschijn kwam.

„Goede God, dat is brand!” riep de man uit.

Hij snelde naar den uitgang van het hooge hek, dat om de fabriek was opgetrokken, maar de ijzeren deur was stevig gesloten, hoe hij er ook aan rukte.

Toen trok hij zoo hard hij kon aan de bel en nu kwam de waker, een bejaard man, toeloopen, en vroeg wat hij wenschte.

„Wat ik wensch?” schreeuwde de politieagent, „maar man zie je dan niet dat je fabriek in brand staat?”

Hevig verschrikt wendde de man zich om, en keek achter zich, het was maar al te waar. Uit een der vensters walmde een dikke rookwolk, en daarachter was een rossig schijnsel zichtbaar.

„Heb je hier geen bluschmiddel in de fabriek?”

„Ja zeker, in de fabriek zelf!” jammerde het oude mannetje, „maar de derde verdieping, dat is het kantoor!”

„Laten wij hier niet staan kletsen!” riep de agent opgewonden. „Je hebt immers een telefoon? Bel dadelijk de brandweer op, jij kunt eerder in je loge zijn, dan dat ik bij de dichtstbijzijnde alarmpost ben.”

De doodelijk verschrikte waker ijlde naar zijn loge, die zich naast de groote toegangsdeur van de fabriek bevond, en belde de brandweer op, maar eerst had hij het hek voor den agent geopend, die hem reeds vooruit was gesneld, en die de trap al opvloog naar de derde verdieping.

Maar de man wist den weg niet, en bovendien rolde hem al dikke rookwolken tegemoet, die hem bijna den adem benamen, en die een doordringenden bedwelmenden reuk hadden.

Hij opende op goed geluk een deur, maar hij moest ijlings achteruit springen want dadelijk schoten vlammentongen naar buiten, die hem bijna bereikt hadden.

Hij ijlde de trappen weder af en toen hij beneden kwam, hoorde hij reeds in de verte het gebel van de stoombrandspuiten, die in vliegende vaart kwamen aanrijden.

De waker zat doodsbleek bijna wezenloos van schrik op een stoel, en blijkbaar niet in staat zich te bewegen.

„Bel dadelijk de heeren van de fabriek op!” riep de agent. „Zit daar niet te suffen, man. Wacht ik zal het zelf wel doen”

Hij bladerde even in den telefoongids en belde toen het particuliere huis van Joseph Palmer op.

De butler stond hem te woord, die hem verklaarde dat zijn meester reeds om zeven uur het huis was uitgegaan en nog niet was teruggekeerd.

Hij had niet thuis gegeten, en de butler wist niet waar hij heen was.

Daarop belde de agent den anderen compagnon op, die zelf aan het toestel kwam, en hevig verschrikte op de tijding dat zijn fabriek in lichte laaie stond.

Want met onbegrijpelijke snelheid hadden de vlammen zich uitgebreid.

En zij loeiden nu reeds uit alle vensters van de derde verdieping en waren reeds overgeslagen naar de ramen van den zolder, met zijn brandbare stoffen!

De brandweer deed wat zij kon, en de brandweerlieden [7]streden als leeuwen tegen het woedende element, maar het was spoedig te zien, dat hier al het water van de Theems niet kon baten—de fabriek brandde letterlijk als een toorts.

De brandwachts konden dan ook niet anders doen dan de omliggende huizen nathouden en tien, twintig stralen op de brandende fabriek te houden.

Langzaam namen de vlammen in kracht af maar het was reeds een uur in den nacht toen de vermoeide brandweerlieden eindelijk konden inrukken op een veiligheidspeleton na, dat de nog smeulende puinhoopen moest nathouden.

Want van de fabriek van de heeren Macdara en Palmer stonden alleen nog maar de vier muren.

Macdara was dadelijk na het ontvangst van de telefonische mededeeling komen aanrijden, en hij had, met doodsbleek gelaat en gebalde vuisten op eenigen afstand toegekeken hoe zijn fabriek in vlammen opging.

Maar reeds na een half uur, toen het duidelijk bleek dat er niets meer te redden viel, was hij met gebogen hoofd heengegaan.

Twee brandweerlieden hadden aangeboden naar binnen te gaan en althans de voornaamste boeken te redden, maar Macdara zelf had hen teruggehouden en hen verboden daarvoor hun leven te wagen, zelfs al waren zij voorzien van een rookmasker.

Den volgenden morgen stond het relaas van den brand in alle bladen, en men kon daarin ook het zonderlinge feit vermeld vinden, dat Joseph Palmer in het geheel niet naar zijn fabriek was komen omzien.

Sterker, hij was naar allen schijn in het geheel niet te Londen, want in dien nacht was hij niet thuis geweest, ofschoon hij aan zijn bediende niets had medegedeeld en deze hem zooals gewoonlijk verwachtte.

En van dat oogenblik begonnen er zonderlinge geruchten de ronde te doen.

Het kwam aan het licht dat de fabriek voor een groot bedrag op beurspolis verzekerd was, tegen een hooge premie.

Toch bleek uit niets, dat hier boos opzet in het spel was, tenminste niet dadelijk, en volgens de getuigenissen van het kantoorpersoneel bloeide de zaak van beide firmanten en de geldmiddelen stonden er uitstekend voor.

Vooral Duckket, het oude kassiertje, verwierp met woedende verontwaardiging de mogelijkheid dat men Palmer iets zou kunnen verwijten, ook al was hij nu toevallig niet te Londen.

Het was te dwaas om alleen te loopen, dat een man van zijn inborst, die op het punt stond een voordeelige ontdekking te doen, zijn fabriek in brand zou hebben gestoken, zoo verklaarde Duckket.

En spoedig zouden de feiten hem in het gelijk stellen, want twee dagen na den brand vond men onder de puinhoopen van de fabriek het bijna geheel verkoolde lijk van Joseph Palmer.….….….

Maar dit kon de ergste kwaaddenkenden toch niet aan het wankelen, brengen, zij verklaarden nu dat Palmer door de vlammen verrast was van den brand dien hij zelf had aangestoken.

Een oogenblik scheen het dan ook, alsof de gebeurtenissen hen in het gelijk zouden stellen, want uit het door de brandweer ingestelde onderzoek bleek, dat de vlammen zich op een buitengewoon snelle wijze hadden uitgebreid en dat de brand op een zeer zonderlinge wijze was uitgebroken.

Van dat oogenblik af werd er een rechtzaak van gemaakt. De oude waker, Tom Field, werd gehoord, maar hij hield stijf en strak vol dat hij niemand zijn loge had zien passeeren dien avond en dat om vijf uren het geheel kantoorpersoneel was heengegaan.

Maar—er was een afzonderlijke ingang voor het particuliere kantoor, om den hoek van het gebouw gelegen, en van zijn loge uit kon hij niet of moeilijk zien of daar iemand binnen gegaan was.

Trouwens—het stond natuurlijk vast, dat Palmer terug was gekeerd, nadat hij om vier uur zijn kantoor had verlaten, anders had men hem onmogelijk onder de puinhoopen kunnen vinden.

Weliswaar was zijn lichaam bijna geheel verkoold, maar aan zijn identiteit kon niet worden getwijfeld, want men vond aan een van de vingers zijn grooten zegelring, en zijn horloge met zijn inscriptie werd bijna ongeschonden teruggevonden.

Ook zijn laarzen waren zeker de zijne.

Maar wat kwam Palmer in het kantoor doen?

Dat was de groote vraag, en niemand zou er op kunnen antwoordden.

Dat zou alleen Palmer hebben kunnen doen en hij was dood.

Toen werd er een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de wijze waarop de brand zou kunnen zijn ontstaan, en vooral trachtte de politie te ontdekken [8]hoe het mogelijk was, dat de vlammen zich zoo buitengewoon snel hadden uitgebreid.

Aan een ongeluk viel bijna niet te denken, want dan zou degeen die het veroorzaakt had het brandsignaal in werking hebben gebracht om den waker te waarschuwen.

Op de derde verdieping bevond zich volstrekt niets dat bijzonder brandbaar was, niets anders dan de kantoorlokaliteiten, de ontvangkamer, en nog enkele andere vertrekken, waarin zich slechts gewone kantoormeubelen bevonden.

Het was een raadselachtig geval, maar reeds begon het publiek zich te gewennen aan de opvatting, dat men hier met boos opzet te doen had, en dat Palmer daarvan zelf als slachtoffer was gevallen, toen er iets onverwachts gebeurde.

De jonge chemicus, Jack Helford, werd gearresteerd op beschuldiging Joseph Palmer te hebben vermoord, en daarna den brand te hebben gesticht.

Spoedig wisten de bladen te vermelden, op welke gronden deze beschuldiging berustte, den dag tevoren had tusschen Palmer en Helford in het laboratorium een hevige woordenwisseling plaats gehad en zelfs was het tot handtastelijkheden gekomen, de assistenten hadden de twee mannen van elkander moeten scheiden.

De aanleiding tot die twist bleef niet lang geheim want meedoogenloos brachten de Londensche dagbladen alles aan het licht.

Joseph Palmer bleek zich vergeten te hebben tegenover de zuster van Helford niet alleen, maar ook ten opzichte van diens zuster Ellen.

Hij had beide meisjes oneerbare voorstellingen gedaan, en Helford was er de man niet naar dit straffeloos te dulden.

Maar er was meer, het werd bekend, dat Helford met Palmer had samengewerkt bij de samenstelling van een nieuw springmiddel, het „Palmerit” en dat de formule ter vervaardiging van die stof spoorloos verdwenen was, terwijl verscheidene leden van het kantoorpersoneel zeer goed wisten, dat die formule bestond.

Natuurlijk was het mogelijk, dat de desbetreffende papieren zich in den zak van Palmer hadden bevonden, toen hij op dien noodlottigen avond op de fabriek kwam, en dat zij dus met hem verbrand waren, maar zeker was dat niet, en Helford was de eenige die iets meer dan de anderen kon weten van Palmer’s uitvinding, en die wist, hoeveel zij waard was.

Weer werd de oude waker, Tom Field, ondervraagd, maar hij verklaarde, den jongen man dien avond niet te hebben gezien.

Weliswaar bezat hij een sleutel van den tweeden ingang, die regelrecht naar de bureauzalen en naar het laboratorium voerde, en hij zou dus binnen kunnen zijn gekomen, zonder dat hij, Field, het gezien had.

De jonge chemicus had dadelijk een advocaat genoemd, een zijner vrienden, aan wien hij zijn verdediging wilde toevertrouwen.

En dadelijk stuitte deze op een moeilijkheid, Jack Helford had tusschen zes en acht uur een groote wandeling gemaakt, zooals hij verklaarde en niemand zou dus pertinent kunnen verklaren dat de jonge man in dien tijd elders was geweest dan in de fabriek.

Het zag er dus tamelijk donker voor den jongen chemicus uit, ofschoon hij zelf zich niet in het minst ongerust maakte, en er zeker van was, dat alles spoedig zou worden opgehelderd.

Intusschen weigerde de verzekeringmaatschappij beslist, een penny uit te betalen voor onomstootelijk was uitgemaakt, dat de brand niet aan boos opzet was toe te schrijven.

Zij had experts naar de fabriek gezonden, die een grondig onderzoek instelden, maar het was zeer lastig onder de puinhoopen nog eenig spoor van opzet terug te vinden.

Van de geheele fabriek stonden immers niets meer dan de vier muren en een klein gedeelte van het kantoorgebouw.

Wel bleef het onverklaarbaar, dat de vlammen zoo verbazend snel om zich hadden heen gegrepen, maar daar het opzet niet of niet meer te bewijzen viel, zoo moest de maatschappij wel door den zuren appel heen bijten, en aan den overlevenden firmant de hooge verzekeringsom uitbetalen.

Zoo stonden de zaken, toen Thomas Macdara, een dag nadat Helford in hechtenis was genomen, het bezoek ontving van Fred Heywood. [9]

[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Een noodlottige mededeeling.

Heywood stond op de stoep van het kleine, ouderwetsche huis aan de Finsburystreet, keurig gekleed, zijn bleek gezicht met een flauwe blos overtogen, en een dun rietje in de hand, een sigaret tusschen de lippen, en hield den blik gevestigd op het koperen bord naast de deur, waarop te lezen stond: „Thomas Macdara”.

De deur werd hem geopend door een huisknecht, die hem even verbaasd opnam en daarna naar zijn verlangen vroeg.

„Is je meester thuis?” kwam Heywood, zijn rietje zwaaiend.

„Dat wel mijnheer, maar het is nog zeer vroeg, ik weet niet, of mijnheer al ontvangt.”

„Geef hem mijn kaartje en zeg hem, dat ik hem over een belangrijke zaak wil spreken, over een zeer belangrijke zaak.”

De bediende nam het kaartje aan, wierp er een vluchtigen blik op, en liet dan daarna den bezoeker in een klein ontvangvertrek terzijde van de vestibule.

Neuriënd nam Heywood plaats, zonder de sigaret uit den mond te nemen.

Eenige minuten later keerde de bediende terug met het verzoek, hem te willen volgen.

Heywood sprong op, en riep uit:

„Ik wist het wel, dat mijnheer Macdara mij niet onverrichter zake zou willen weg zenden!”

Hij ging een eikenhouten wenteltrap op, en daarop opende de bediende een deur voor hem, en liet hem een fraai gemeubeld vertrek binnen.

Macdara zat dicht bij een raam, voor zijn schrijftafel.

Hij had het visitekaartje nog in de hand, en keek zijn bezoeker nieuwsgierig en onderzoekend aan.

Zonder op te staan, wees hij naar een stoel, wierp het visitekaartje op zijn bureau en zeide:

„Wel, Heywood, wat kun je mij wel voor bijzonders te vertellen hebben zoo vroeg in den morgen? Het moet wel iets zeer belangrijks zijn, dat je in mijn particuliere woning komt, inplaats van.…..”

„Op uw kantoor?” vulde Heywood den zin aan. „Maar waarde patroon, dat kantoor bestaat immers niet meer, het verwondert mij, dat gij niet weet, dat uw fabriek is afgebrand, mij dunkt, dat gij wel een.… een van de eersten moest zijn om dit niet te vergeten.”

Macdara had zijn gelaat naar den bezoeker gewend, en richtte zich nu langzaam op.

Zijn wenkbrauwen gingen de hoogte in, en er kwam een uitdrukking van verbazing en boosheid in zijn oogen.

De toon van zijn eersten klerk beviel hem in het geheel niet, evenmin als zijn geheele optreden.

Heywood had iets onbeschaamds over zich, en had zijn eene been over het andere geslagen, terwijl hij zijn patroon brutaal aankeek, en met zijn rotting speelde.

Even was het stil in het vertrek.

Toen stond Heywood op en liep naar het schrijfbureau, waarop een wortelhoutenkistje stond, gevuld met dure importsigaren.

Heywood stak de hand uit, nam er een sigaar uit, rook er even aan, en zeide met overtuiging:

„Een uitstekend merk, u permitteert, patroon?”

Zonder antwoord af te wachten, beet hij de punt van de sigaar en stak haar aan.

Macdara was zoo verbluft over deze onbeschaamdheid, dat hij geen woord kon uitbrengen.

Heywood was al weder gaan zitten, en had een dichte wolk uitgeblazen, toen Macdara uitbarstte: [10]

„Wat moet dat beteekenen? Ben je dronken, Heywood? Pas op, want ik laat niet met mij spotten!”

„Daar ben ik grondig van overtuigd, chef,” zeide Heywood en hij liet de sigaar van den eenen naar den anderen mondhoek rollen, „maar laat ik u zeggen, dat ik volkomen nuchter ben. Alleen ik heb uw sigaren altijd bijzonder graag geroken, en nu ik in de gelegenheid ben, ze ook eens te proeven, nu grijp ik haar bij de haren. Trouwens ik ben zeker, dat gij er niet aan zoudt denken, mij een sigaar te weigeren—over tien minuten!”

Macdara stond langzaam op.

Er glinsterde een gevaarlijk licht in zijn donkere oogen.

Hij bedwong zich echter en vroeg, met een wrangen glimlach om de dunne lippen:

„Laten wij ter zake komen, zeg mij het doel van uw bezoek. Wat hebt gij mij voor belangrijks mede te deelen?”

„Dat komt aanstonds, patroon,” antwoordde Heywood, die zijn oogen strak op het gezicht van den andere gevestigd hield. „Laat mij beginnen, met u een vraag te stellen, dan volgt de rest van zelf.”

„Een vraag, gij aan mij?” riep Macdara toornig uit. „Wat bezielt je, man, als je dan niet dronken bent, dan moet je gek zijn!”

„Ik ben zoo gezond van geest als ik maar kon verlangen,” hernam Heywood bedaard. „Als gij mij niet toestaat, u de vraag te stellen, wel des te erger voor u.”

Hij was op zijn beurt opgestaan, en scheen voornemens te zijn, zich naar de deur te begeven.

Maar er was iets in zijn stem, dat Macdara bewoog, haastig uit te roepen:

„Zoo was het niet bedoeld, kom dan voor den dag met uw vraag, maar maak het kort, ik heb niet veel tijd.”

„O, ik zal u niet langer ophouden dan volstrekt noodzakelijk is, ik begrijp volkomen, hoe druk gij het op het oogenblik hebt, mijn vraag is deze, ik zou van u willen weten, of gij soms iets vermist?”

Macdara antwoordde niet dadelijk, maar keek den klerk doorborend aan, alsof hij tot in het diepste van zijn ziel wilde lezen.

Er lag nu zoo duidelijk een bedreiging in de stem van Heywood, alsof hij die reeds had geuit.

Langzaam herhaalde de fabrikant:

„Of ik iets vermis? Ik zou niet weten wat.”

„Toch niet? Bedenk u eens goed. Gij vindt het niet? Nu, dan zal ik u maar op weg helpen, gij hebt iets tamelijks kostbaarst verloren, een uwer gouden manchetknoopen.”

De stem van Macdara had een heeschen, ongewonen klank, toen hij met moeite uitbracht:

„En, waar zou ik dien knoop verloren hebben?”

„O, op een heel gewone plaats, in uw privé-kantoor, toen dat nog bestond.”

„En, gij hebt dien knoop gevonden?”

„Ik maak u mijn compliment over uw scherpzinnigheid, patroon, ja, ik ben de vinder. Ik vond dien knoop.….…. Eergisteren, des avonds.….. omtrent half acht.…..”

Bij deze woorden week alle kleur uit het gelaat van den fabrikant.

Zijn oogen verwijdden zich, en zijn lippen bewogen zich, zonder dat er eenig geluid over kwam.

Heywood had met een loerenden blik in zijn kleine oogen de verandering gade geslagen, welke er op het gelaat van Macdara plaats greep.

Deze had zich nu met geweld bedwongen, en er verscheen zoo iets als een glimlach op zijn lijkbleek gelaat. Maar zijn stem was schor, toen hij vroeg:

„Gij waart dus dien avond in het fabrieksgebouw?”

„Ja, patroon, en meer in het bijzonder in het kantoor, dat, naar gij natuurlijk wel zult weten, door een glazen schot van het particuliere kantoor der heeren Macdara en wijlen Palmer was gescheiden.”

„En, gij hebt dien knoop in uw bezit? Gij hebt hem bij u?”

„Hij zit in mijn zak, met nog een briefje, dat aan mijnheer Palmer was geadresseerd, en dat geschreven heet te zijn door een zekere Miss Maud Fleming, de verloofde van Jack Helford.”

Een oogenblik stond Macdara stokstijf, met uitpuilende oogen naar den klerk te staren.

Toen deed hij een sprong voorwaarts en het volgend oogenblik zou hij den ander bij de keel hebben gegrepen.

Maar Heywood had hem niet uit het oog verloren.

Hij deed bliksemsnel een paar passen achteruit, en stak de hand in den zak.

Toen hij haar er weder uithaalde, blonk er een kleine revolver in, die op de borst van den fabrikant was gericht.

„Dat had ik wel gedacht,” bromde hij spottend. „Gij zijt heel wat sterker dan ik, en gij zoudt mij [11]wel gaarne die beide dingetjes hebben afgenomen, niet waar?”

Macdara gaf geen antwoord maar keek den klerk aan met oogen, waarin schrik, woede en haat om den voorrang streden.

Toen vermande hij zich, en ging bedaard naar zijn stoel.

Hij ging zitten, nam met bevende hand een sigaar, stak ze aan, en vroeg toen:

„Ik denk, dat dit een handelszaak gaat worden, Heywood?”

„Dat hebt gij daar ineens geraden!” riep de klerk uit. „Nogmaals mijn compliment!”

„Gij hebt … iets gezien?”

„Alles!”

„Alles? Nu laat eens hooren?”

„Ik kan kort zijn, ik kwam ongeveer kwart voor zevenen naar het kantoor, omdat ik daar iets in mijn lessenaar had laten liggen, dat ik volstrekt noodig had!”

„Mag ik weten, hoe het komt, dat de portier u in het geheel niet gezien heeft?”

„Dat was louter toeval, toen ik aan het hek wilde aanschellen, zag ik dat de deur aanstond, en dat Tom Field juist naar den overkant liep, met een kan in de hand, misschien wilde hij bier halen, of iets dergelijks, ik wachtte natuurlijk niet op hem maar ging naar binnen.”

Macdara beet zich op de lippen, en een uitdrukking van dierlijke wraakzucht kwam in zijn oogen.

Maar Heywood vervolgde kalm, na een krachtigen haal aan zijn fijne sigaar te hebben gedaan.

„Ik was nog geen vijf minuten in het kantoor of ik hoorde de gangdeur van uw eigen kantoor opengaan. Nieuwsgierig als ik ben, bleef ik stil staan waar ik was, en dat was juist bij het glazen schot. Gij zult natuurlijk niet weten, dat wij zoo indiscreet zijn geweest, op een verborgen plekje de verf van de ruit te hebben gekrabd, zoodat wij wel eens een blik in uw kantoor konden werpen, zonder dat gij het zaagt, maar het is zoo. Weet gij, wie er binnenkwam? Maar wat vraag ik, natuurlijk weet gij het! Gij zelf hebt hem waarschijnlijk het gefingeerde briefje van Miss Maud geschreven, waarin zij mededeelde, dat zij den gelukkigen Palmer om zeven uur in zijn privé-kantoor zou komen opzoeken. Ja, gij had het prachtig voor elkaar gebracht, en als niet het noodlot in mijn bescheiden persoontje tusschen beide was gekomen, dan zou er nooit een haan naar gekraaid hebben, dat gij Palmer hebt vermoord.….”

Heywood had dit laatste op fluisterenden toon gezegd, maar toch sprong Macdara doodelijk verschrikt op, en zeide op heeschen toon:

„Stil—om Gods wil stil!”

„Aha, ik zie dat mijn kleine opmerking doel heeft getroffen,” hernam Heywood met een valsch lachje. „Maar laat ik eerst even mijn verhaal vervolgen. Palmer kwam dus binnen. Hij wierp een blik op zijn horloge, daarna op de pendule, en ging in een stoel zitten, na zijn jas te hebben uitgetrokken, en zijn hoed aan den kapstok te hebben gehangen. Blijkbaar verwachtte hij iemand, en ik vroeg mij verbaasd af, wie dat kon zijn, toen de deur achter hem heel zachtjes openging, .….. en er iemand te voorschijn kwam dien ik heel goed ken.”

Heywood wachtte even, om een sluikschen blik op den fabrikant te werpen, die met gebogen hoofd en bleek gelaat op zijn stoel zat, en ging toen voort:

„Ik begreep volstrekt niet, waarom hij zoo zachtjes binnenkwam, en toen ik begreep was het te laat— — de man die zoo katachtig was binnengekomen, hief een dolk op en stak dien den ander in den nek.….. en die man waart gij! Ik was zoo ontzet, dat ik zelf geen kreet kon slaken, en daaraan heb ik misschien het behoud van mijn eigen leven te danken, mijnheer Macdara! Nu de rest is in enkele woorden mede te deelen—Palmer zakte van zijn stoel, zonder een kreet te slaken, en gij staakt de hand in zijn binnenzak en naamt er zijn portefeuille uit, zocht er eenigen tijd met koortsachtige haast in, en nam er toen eenige papieren uit, welke gij in uw eigen zak liet glijden. Daarop verliet gij het vertrek.”

Macdara liet een dof gesteun hooren, maar hij zeide geen woord.

Heywood vervolgde, de asch van zijn sigaar tippend:

„Toen mijn eerste schrik voorbij was, begreep ik, dat hier een goede slag te slaan was … ik wachtte nog even, en opende toen voorzichtig de tusschendeur. Dadelijk trok iets wits mijn aandacht, ik nam het op, en zag dat het een briefje was, door Maud Fleming onderteekend, maar dat bij nader onderzoek in het geheel niet door haar geschreven bleek te zijn. Want zij was sinds drie dagen uitstedig, en zou niet terug keeren voor over twee dagen. En toen vond ik nog den manchetknoop, dien ik oogenblikkelijk [12]herkende. Daarop snelde ik weg door de deur, terzijde van het fabrieksgebouw. Maar één ding had ik toch niet voorzien.….. namelijk dat gij in staat zoudt zijn, de geheele fabriek in brand te steken, om uw misdaad te bemantelen. In het eerst begreep ik volstrekt niet, met welk doel gij Palmer gedood had, maar nu weet ik het heel goed; de papieren, welke gij hem hebt afgenomen, bevatten de formule van het Palmerit, de nieuwe springstof, door uw slachtoffer ontdekt.”

Na deze woorden bleef het geruimen tijd stil in het vertrek.

Macdara keek als wezenloos voor zich heen, en scheen de tegenwoordigheid van den man, die getuige was geweest van zijn misdaad, geheel vergeten te zijn.

Maar nu richtte hij zich op, schudde zich, als of hij een zwaren last wilde afwentelen, en keek Heywood onderzoekend aan.

Toen zeide hij slechts dit eene woord:

„Hoeveel?”

„Nu, mij dunkt, dat tienduizend pond niet te veel verlangd is,” antwoordde Heywood bedaard.

„Tien duizend,” schreeuwde Macdara, verbleekend. „Maar zooveel bezit ik in het geheel niet.”

„Misschien niet in contanten, maar dat zal niet lang duren. Uw fabriek was voor 40 000 pond verzekerd, en men zal u de som zeker uitbetalen, en dan zal de exploitatie van het Palmerit, waaraan gij natuurlijk een anderen naam zult geven, u ook geen windeieren leggen. Maar gij zult zien, dat gij niet met een onredelijk man te doen hebt. Ik wil u den tijd geven. Gij betaalt mij nu op slag duizend pond, en de rest zal ik binnen enkele maanden komen opvragen, wetend, dat gij ze mij wel zult betalen, want anders.….….…”

Heywood voltooide den zin niet, maar maakte een veelzeggend gebaar, in de richting van zijn hals, dat Macdara een schreeuw van ontzetting ontlokte.

Hij sprong op, en trok een lade van zijn schrijfbureau open.

Daarop nam hij er zijn chequeboek uit, en vulde haastig een cheque ten bedrage van duizend pond sterling in.

Hij stak Heywood het papier toe, die zijn revolver nog altijd in de hand had, en zeide op korten toon:

„De manchetknoop en het briefje.”

Heywood had de cheque vluchtig doorgezien en opgevouwen, en nu stond hij met het kostbare papiertje in de hand, Macdara vragend aan te zien.

Toen vroeg hij, met een hatelijken glimlach om de dunne lippen:

„Gij spreekt toch zeker niet in ernst? Denkt gij dat ik die kostbare bewijzen uit handen zal geven, voor gij de overige negen duizend pond hebt betaald? Maar hebt gij dan altijd uw klerk voor een ezel aangezien, patroon? Neen, die dingetjes blijven in mijn zak, totdat onze aangename handelsbetrekkingen geëindigd zijn.”

Hij greep zijn hoed, na de cheque in zijn binnenzak te hebben gestoken, en ging ruggelings naar de deur, de revolver steeds op den fabrikant gericht.

Daar gekomen zeide hij:

„Het blijft dus afgesproken, gij krijgt uw manchetknoop en het vervalschte briefje zoodra gij de rest van het bedrag hebt afbetaald, en ik zou u in uw eigen belang aanraden, er niet al te lang mee te wachten, want gij weet het.….….”

En nogmaals maakte hij het gebaar naar zijn hals, met een leelijken grijns op zijn bleek gelaat.

Toen draaide hij vlug de kruk van de deur om, en het volgende oogenblik was hij verdwenen.

Geruimen tijd bleef Macdara onbewegelijk, met gebalde vuisten en doodsbleek gelaat midden in het vertrek staan, en staarde naar de gesloten deur.

Toen kwam het sissend over zijn lippen:

„Je weet te veel man, en ik ben niet van zins, je negenduizend pond te betalen. Heywood—ik geloof dat je jezelf—in plaats van mij, den strop om den hals hebt gehaald.” [13]

[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Aan het verkeerde kantoor.

Het was omstreeks elf uur in den avond van denzelfden dag toen Thomas Macdara zijn huis verliet.

Hij was zeer eenvoudig gekleed en had den kraag van zijn jas hoog opgeslagen.

Voor de huisdeur bleef hij even stil staan, en wierp een onderzoekenden blik om zich heen.

Toen liep hij haastig door den kleinen voortuin en riep de eerste de beste huurauto aan.

„Naar den anderen kant van de Tower Bridge, chauffeur,” beval hij.

Hij stapte in, trok het portier dicht, en liet zich achterover in de kussens vallen.

Zijn gelaat was bleek, maar er lag een sombere vastberaden uitdrukking op.

Een half uur verstreek en toen hield de auto stil aan de andere zijde van de machtige Tower Bridge.

Macdara betaalde den chauffeur, waarbij hij zooveel mogelijk in de schaduw trachtte te blijven, en haastte zich daarop de Theemskade af.

Spoedig bevond hij zich in een der armelijkste wijken van Londen, waar ook de misdaad hoogtij viert.

Hij ontmoette op zijn weg veel verdachte kerels, die hem onder den rand van hun pet argwanend opnamen, want al was hij nog zoo eenvoudig gekleed, zij schenen toch dadelijk te zien dat hij niet tot de hunnen behoorde.

Nu en dan stond Macdara besluiteloos stil maar eindelijk ging hij een wijnhuis in de Canonstreet binnen.

Een oogenblik weifelde hij nog, want er dreef hem een dikke tabakswolk tegemoet, en de lucht in de lage gelagkamer was bijna niet meer geschikt om in te ademen.

Er zaten een vrij groot aantal bezoekers, waaronder eenige arbeiders, maar voor het meerendeel mannen met een woest, gemeen uiterlijk, die bij kleine groepjes aan de morsige tafel zaten te drinken.

Achter de smalle toonbank stond een zwaargebouwd man, met het gezicht van een zieken gorilla, zoo dicht behaard dat men er bijna niet anders van zag dan zijn oogen en zijn breeden stompneus.

Macdara zocht zich een plaatsje uit, trachtte zoo veel mogelijk onopgemerkt te blijven en bestelde een glas wijn, dat hem gebracht werd door een halfwas kellner in zijn hemdsmouwen en met een morsigen boezelaar voor.

Hij liet zijn blikken door de gelagkamer dwalen en bijna overal zag hij verweerde, roode gezichten van dronkaards.

Maar tenslotte bleven zijn oogen gevestigd op een tweetal mannen, die niet ver van hem vandaan waren gezeten, en die volkomen nuchter schenen te zijn.

Ook hun uiterlijk was echter voor het overige verre van vertrouwen wekkend.

Zij droegen een smerige trui, wijde broeken, en een jockeypet met een grooten klep die voor de helft hun grof gelaat beschaduwde, waarop allerlei hartstochten te lezen waren die in deze buurt zoo welig tierden.

De fabrikant keek den grootste van de beide mannen een tijdlang vorschend aan, totdat deze, wien dit blijkbaar verveelde, naar hem toe kwam en op norschen toon vroeg:

„Mag ik weten waarom je al het moois van mij afkijkt? Draag ik soms iets van je? Bevalt de kleur van mijn haar je niet? Zeg het maar gerust, hoor, maar kijk dan een anderen kant uit.”

Inplaats van zich kwaad te maken over deze woorden, stond Macdara op, keek den man tegenover [14]hem een oogenblik glimlachend aan, en zeide toen, zoo zacht dat deze alleen hem kon hooren:

„Ik keek je zoo strak aan, om dat ik naar iemand zoek, die ongeveer jouw gezicht heeft. Zou je vijfhonderd pond willen verdienen?”

De aangesprokene wierp eerst snel een blik om zich heen, om zich te overtuigen dat niemand de vraag verstaan had, en herhaalde toen zachtjes:

„Vijfhonderd pond? Dat is een bom duiten, patroon. En natuurlijk antwoord ik: Ja, die wil ik wel verdienen, kom maar eens over de brug, en zeg me wat ik daarvoor doen moet?”

„Dat zal hier onmogelijk gaan, er zijn te veel menschen,” fluisterde Macdara. „Weet gij geen plek waar wij ongestoord kunnen praten?”

„Wel tien, maar dan moet ik eerst mijn kameraad even waarschuwen.”

„Ga je gang, maar zeg hem vooral niet wat ik je gevraagd heb, aanstonds zal het je wel blijken waarom niet.”

De man verwijderde zich en sprak gedurende eenige oogenblikken met zijn kameraad die onverschillig knikte, en daarop op stond, om zich bij een ander groepje drinkers te voegen.

De man met de geruite pet ging weder naar Macdara terug en zeide:

„Nu ben ik tot je dienst, patroon. Ga maar met me mee, als niemand het hoeft te hooren, waarmee ik de vijfhonderd goudvinken kan verdienen, dan weet ik wel een goede plaats.”

De twee mannen verlieten de kroeg en gedurende enkele oogenblikken liepen zij zwijgend naast elkaar terwijl de man met de pet zijn metgezel nu en dan tersluiks van terzijde opnam.

Na een kwartier loopen hadden zij een plek bereikt waar juist een viertal huizen, die op instorten stonden, waren afgezet.

Het terrein was met een schutting afgesloten maar daarin bevond zich een kleine deur, die niet gesloten bleek te zijn, want de man uit de kroeg deed haar open en maakte zwijgend plaats voor Macdara opdat die zou kunnen binnen treden.

Even aarzelde de fabrikant, maar zijn hand ontmoette in zijn zak de kolf van zijn revolver en dat scheen hem moed te geven en zijn besluiteloosheid te overwinnen.

Hij ging dus door het deurtje, en de ander volgde hem.

Op het midden van het veld, dat nog vol puin lag, stonden de beide mannen stil.

De plek was goed gekozen, want hier zou zeker niemand hen kunnen hooren.

„Begin maar eens met mij den naam te noemen, waarmee ik u moet aanspreken, dat is gemakkelijker,” zeide Macdara.

„Ik heet Jim Brandy,” antwoordde de ander. „Gij begrijpt dat de kameraden wel eens grappen maken op dien naam, maar zij doen het nooit waar ik bij ben,” voegde hij er op dreigenden toon bij.

„Dat kan ik mij begrijpen,” hernam de fabrikant, met een snellen blik naar de breede borst en de gespierde ledematen van den man die tegenover hem stond. „Gij ziet er uit als iemand, die niet gewend is zich voor den gek te laten houden en die van zich af weet te slaan.”

„Dat zou ik je verzoeken,” gromde Jim Brandy, „ik heb er al menigmaal een neergeslagen, en die had dan geruimen tijd gelegenheid om grappen over mijn naam te verkoopen.”

„Ei, en is het niet wel eens voorgekomen, dat zij in het geheel geen gelegenheid meer hadden, om zich ten uwen koste te vermaken?” vroeg Macdara, terwijl hij den ander aankeek.

Brandy liet een zacht fluitend geluid hooren en bromde toen:

„Zoo, waait de wind uit dien hoek? Nu, veel tijd heb ik toch niet, laat maar eens hooren wat de zaak is.”

Macdara scheen een oogenblik naar zijn woorden te zoeken.

Hij was zeer bleek geworden, en zijn stem had een schorren klank, toen hij fluisterend zeide, met den mond zeer dicht bij het oor van Jim Brandy:

„Hebt gij wel eens een vijand gehad die te veel was op deze aarde?” Brandy knikte zwijgend.

„Wat deed gij dan?”

„Ik zocht hem op, ik smeet hem een leeg bierglas naar het hoofd of soms een vol, want onder ons menschen is het geen gewoonte om onze visitekaartjes te wisselen, en dan gingen wij elkaar met het mes te lijf, en ik verzeker u dat het minstens net zoo eerlijk toeging als onder heeren van uw slag als zij op den degen duelleeren.”

„Zoo mag ik het hooren, maar veronderstel eens, dat ik zelf een vijand had, dien ik echter om verschillende redenen niet aldus kan behandelen, en [15]dien ik toch tot iederen prijs wil laten verdwijnen, zou jij de man zijn om dat werk voor mij te doen?”

Weer kwam het zachte geluid over de lippen van Jim Brandy, maar nu krabde hij zich tevens achter het oor en zeide:

„U noemt daar nog al zoo iets op, dat moet dus doodslag worden?”

„De naam dien je er aan geven wilt, kan mij minder schelen,” zeide Macdara schouderophalend. „Er leeft hier te Londen een man, die moet verdwijnen, anders zou ik zelf ondergaan, en het hemd is altijd nader dan de rok geweest, kort en goed, wil je voor de som die ik je zooeven noemde dien man opzoeken en zorgen dat hij mij niet meer kan benadeelen?”

„Vijf honderd pond voor een menschenleven,” kwam Jim Brandy minachtend met de vingers knippend. „Dat kunt u niet meenen, maak er duizend van en dan kunnen wij misschien met elkander praten.”

Macdara bedacht zich niet lang, hij wist wel dat hij geen keus had.

Heywood, die gevaarlijke lastige getuige moest snel en zonder opzien uit den weg worden geruimd, voor hij hem zou kunnen schaden.

Want wie kon zeggen, of hij niet te elfder uren berouw zou krijgen en aan de politie zou mededeelen wat hij op dien noodlottige avond in het particuliere kantoor van de chemische fabriek had gezien.

Hij zeide dus haastig:

„Goed dan, ik zal je duizend pond betalen, zoodra het is afgeloopen.”

„Hoho, een oogenblik mijn waarde heer,” zeide Jim Brandy spottend, „laten wij niet te hard van stal loopen, er valt nog heel wat te bepraten, voor het zoover is, ten eerste, wie waarborgt mij dat gij zult betalen, daar gij heel goed weet, dat ik geen aanklacht wegens wanbetaling kan indienen, ik ken uw naam niet eens.”

Macdara beet zich op de lippen, en toch kon die opmerking hem onmogelijk verrassen, want zijn toekomstige medeplichtige zou natuurlijk niet in het wilde weg iets voor hem doen.

Aan den anderen kant zou Jim Brandy, als hij de daad volbracht had, zich wel twee maal bedenken, alvorens zijn lastgever aan boord te komen met dreigementen, en verzoeken om meer geld, want daardoor zou hij zich zelf aan de galg helpen.

Maar toch besloot hij, zijn identiteit niet dadelijk prijs te geven.

Hij had zijn plannen reeds gemaakt, en daarna zou hij nu ook handelen.

„Ik heet Stephan Airedale, en ik woon in de King Edward street 29, natuurlijk kunt gij naar de waarheid van mijn verklaring informeeren. Om u te bewijzen hoezeer ik u vertrouw zal ik u vijftig pond vooruit betalen, en dan nog eens duizend als alles achter den rug is.

„Dat noem ik zaken doen,” bromde Jim Brandy.

„En laten wij nu de hoofdzaak niet vergeten, hoe is de naam van dien man?”

„Adolph Heywood, hij woont in Maiden Lane 317.”

En nu gaf Macdara een zeer nauwkeurige beschrijving van den man, dien hij in den dood wilde zenden.

Vrees voor ontdekking hoefde hij zeker niet te koesteren, want als Brandy hem verried dan teekende hij zijn eigen doodvonnis.

Maar toch zou hij zijn uiterste best doen, dat de schurk er niet achter kwam wie en wat hij was.

Maar daartoe was het noodig dat er snel gehandeld werd.

Hij nam Jim bij den arm, en zeide heesch:

„Als het eenigszins mogelijk is, moet het morgen of overmorgen gedaan zijn.”

„Ik zal mijn best doen,” antwoordde Brandy kortaf. „Kom nu maar over de brug met het voorschot. Morgenochtend ga ik mij overtuigen of gij mij niet voor den gek hebt gehouden wat uw adres betreft, en dan zullen wij verder zien.”

Macdara had zijn portefeuille uitgehaald en nam er nu vijf biljetten van tien pond uit.

Maar daarbij hield hij Jim Brandy goed in het oog, want hij begreep maar al te goed, dat een man die er niet tegen opzag, voor duizend pond een medemensch van het leven te berooven, zeer wel in staat zou zijn, hem zelf op deze eenzame plek te overvallen en van zijn geld te berooven.

Hij bleef daarom op dit oogenblik op eenigen afstand, en borg zijn goed gevulde portefeuille weer weg.

Jim Brandy bekeek de biljetten aandachtig en stak ze toen als een prop in zijn broekzak.

All right, patroon!” zeide hij droog. „De zaak is hiermede beklonken, als het gedaan is zal ik het u laten weten.” [16]

Hij knikte Macdara even toe, en ging toen door de lage deur in de schutting weer weg, zonder zich verder om zijn lastgever te bekommeren, die spoedig maakte dat hij uit deze buurt weg kwam, vervuld van een helsche vreugde over het voorloopig welslagen van zijn plan.

Jim Brandy liep met de handen in de zakken en zachtjes voor zich heen fluitend naar het drankhuis terug, zonder zich te overhaasten, en blijkbaar in het minst niet aangedaan door de wetenschap, dat hij binnen weinige uren een vreeselijke misdaad zou moeten plegen.

Hij trok de deur van het drankhuis open en wenkte zijn kameraad die met een paar andere mannen zat te praten.

De man stond aanstonds op, en verliet de gelagkamer om zich bij Jim Brandy te voegen.

Eenigen tijd bleven de twee mannen zwijgend naast elkander loopen, en toen vroeg degeen, die in het drankhuis was achter gebleven, aan Jim Brandy:

„Wel, wat kan Macdara je nu in ’s Hemelsnaam wel te vertellen hebben gehad, Edward?”

„Daar zul je misschien een weinig van opzien, beste Charly,” antwoordde de ander, „mijnheer Macdara, compagnon van wijlen mijnheer Palmer, heeft mij het vriendelijk voorstel gedaan voor een bedrag van duizend pond zijn eerste klerk Heywood van het leven te berooven, mij, John Raffles!”

Zijn metgezel had moeite een kreet van verbazing en afschuw te bedwingen.

Hij stond stil en zijn gelaat was naar dat van zijn makker opgeheven.

„De wegen der Voorzienigheid zijn wel raadselachtig,” zeide hij toen op zachten toon. „Dat die man zich juist tot jou moest wenden.”

De man die deze woorden sprak had wel gelijk.

Inderdaad, Jim Brandy was niemand anders dan de gentleman-inbreker John Raffles, alias Lord Lister, de lang gezochte vijand van Scotland Yard!

Gehoor gevend aan een van zijn grillen had Raffles dien avond in gezelschap van zijn trouwen vriend Charly Brand, het prachtige huis aan de Regent Street verlaten, waar hij onder den naam van Lord William Aberdeen sedert eenige jaren woonde.

Beiden hadden zich met groote zorg vermomd, want het had oorspronkelijk in hun bedoeling gelegen, weder een bezoek te brengen aan een der dievenkroegen, in de hoop, dat zij de plannen zouden kunnen ontdekken van de Bende der Raven, wier leden in den laatsten tijd weer veel van zich lieten spreken.

Zoo waren zij ook bij toeval in het wijnhuis in de Canonstreet te land gekomen, en daar had Macdara, zonder eenig vermoeden te hebben van den waren aard van den man, dien hij in vertrouwen had, den Grooten Onbekende ontmoet, en hem het afschuwelijke voorstel gedaan zijn vijand uit den weg te ruimen.

Het duurde eenigen tijd voor Charly Brand van zijn verbazing en afschuw was hersteld.

„Waarlijk, men kan er niet langer aan twijfelen, er bestaat een Voorzienigheid,” mompelde hij. „Maar ik begrijp niets van de geheele zaak, waarom wil Macdara zijn eerste klerk van het leven berooven?”

„Ja, dat is zeker vreemd genoeg,” zeide Raffles nadenkend. „Je begrijpt wel, dat ik hem daar moeilijk naar kon vragen, en hij zou er mij trouwens toch geen antwoord op hebben gegeven. Maar, dat hier iets vreeselijks achter schuilt, dat is zeker, en dat moeten wij trachten te ontdekken want misschien staat het wel in verband met de tragedie in de fabriek van Macdara en Palmer, en met de misdaad, waarvan de ezelachtige politie mijn protégé, Jack Helford, verdenkt!” [17]

[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Raffles stelt een onderzoek in.

De zoogenaamde Jim Brandy dacht er natuurlijk geen seconde aan, zich te vergewissen of Stephan Airedale en Macdara identiek met elkander waren, en of de eerstgenoemde werkelijk in de King Edward Street woonde.

Daarin stelde hij in het geheel geen belang en hij begreep heel goed, dat Macdara een anderen naam had aangenomen en onder dien valschen naam in de King Edward Street kamers had gehuurd.

Hij had den fabrikant, wiens portret trouwens in alle bladen had gestaan, op het eerste gezicht herkend, toen hij in het drankhuis in de Canonstreet verscheen, vooral ook omdat hij meer reden had dan ieder ander, zich voor den fabrikant te interesseeren.

Hij immers was de patroon van den jongen Jack Helford, die op kosten van den Grooten Onbekende zijn studies als chemicus had voltooid, en daarna de betrekking aan de chemische fabriek had gekregen.

Raffles kende den jongen man reeds eenige jaren, en hij zou veeleer aan zich zelf getwijfeld hebben, dan aan zijn beschermeling.

Het denkbeeld dat Helford een zoo vreeselijke misdaad zou hebben gepleegd kwam hem aanstonds zoo bespottelijk voor, dat hij zich zoodra hij van de arrestatie hoorde, naar Scotland Yard begaf, en daar aanbood, een zeer hoog losgeld te betalen opdat Helford weer op vrije voeten zou worden gesteld.

Hij moest echter vernemen, dat ter zake van dergelijk kapitale misdaden geen cautie werd aangenomen, en dat hij zelfs niet zijn beschermeling zou mogen zien.

Hij slaagde er alleen is met den jongen advocaat, Richard Kappler, een vriend van Helford, te spreken, die zich aanstonds beschikbaar had gesteld, om de zaak van den beklaagde te bepleiten.

En het had Raffles genoegen gedaan, dat ook Kappler geen seconde twijfelde aan de onschuld van zijn vriend.

Het was waar dat de jonge advocaat misschien een weinig bevooroordeeld was, want voor zijn vrienden was het geen geheim, dat Ellen, de zuster van Helford, een diepen indruk op hem had gemaakt, en dat het jonge meisje lang niet ongevoelig was voor den jongen rechter.

Het was omstreeks elf uur in den morgen toen Raffles van dezen tocht terugkeerde, en de bibliotheek van het huis in de Regentstreet binnentrad, waar Charly Brand hem wachtte.

De jonge man sprong op en vroeg:

„Welnu?”

„Men houdt hem gevangen,” riep Raffles moedeloos uit. „Op Scotland Yard is wel van toepassing de zegswijze van de oude Romeinen: „Wien de Goden verbergen willen, dien slaan zij met blindheid,” het is voor iederen buitenstaander, voor iederen leek, volkomen duidelijk, dat Helford de misdaad niet bedreven heeft, maar Scotland Yard schijnt het voor de eenvoudigste zaak van de wereld te beschouwen.”

Neem mij niet kwalijk, Edward, maar ik geloof dat je je nu toch een weinig te veel door je sympathie voor Jack Helford laat beïnvloeden! Scotland Yard brengt natuurlijk in rekening ten zijnen laste, dat hij hooggaande twist heeft gehad met Palmer als gevolg van de achtervolgingen waaraan zijn zuster moest blootstaan van de zijde van dien ouden viveur—en niet alleen zijn zuster maar ook zijn aanstaande.

Als ik in dezelfde omstandigheden had verkeerd, als die oude doordraaier het mijn zuster en tegelijkertijd [18]mijn meisje lastig had gemaakt, wel, ik geloof dat ik hem zonder aarzelen en met het grootste genoegen de hersenen zou hebben ingeslagen.

„Dat zegt men, Charly, maar dat doet men niet zoo gauw,” hernam Raffles hoofdschuddend. „Het lag in het geheel niet in den aard van Jack Helford.

„Er is nog meer, Scotland Yard wil natuurlijk weten waar hij van zes tot acht geweest is, en dat kan hij niet opgeven.”

„Hij heeft een wandeling gemaakt, is dat soms een halsmisdaad?”

„Dat is dwaasheid, maar intusschen kan hij niet bewijzen dat hij werkelijk gewandeld heeft.”

Raffles bleef een oogenblik zwijgend voor zich uitzien.

Toen hernam hij:

„Nu, als Scotland Yard dan bij haar ezelachtigheid blijft volharden, dan zullen wij aan het werk moeten gaan, en den waren moordenaar trachten op te sporen. Ik heb om twee uur hier een afspraak met Kappler, die dan met Helford geconfereerd heeft, en ons misschien wat naders kan mededeelen. Wij hebben dus nog eenige uren den tijd en die moesten wij eens besteden aan het onderzoek van de vraag wat toch wel de aanleiding kan zijn van de plotselinge vijandschap tusschen Macdara en zijn eersten klerk Heywood, een vijandschap zoo hevig, dat de fabrikant zelfs een sluipmoordenaar op zijn tegenstander afzendt. Wij zullen dien Heywood eens bespieden, mijn jongen, want er is iets wat mij zegt, dat hij een zekere rol vervult in het geheimzinnige drama dat zich in de fabriek heeft afgespeeld, en waarvan Palmer het slachtoffer is geworden. Heb je lust om er eens op uit te gaan?”

„Ik ben dadelijk tot je dienst, Edward.”

„Goed, informeer dan naar de woning van den eersten klerk, en tracht daar zooveel mogelijk bijzonderheden omtrent zijn persoon te verkrijgen. Ik geloof dat het de voornaamste fout van Scotland Yard is, dat zij altijd veel te weinig aandacht besteedt aan de kleine onderdeelen, ofschoon die vaak van veel grooter belang zijn, dan wat iedereen als hoofdzaak beschouwt.”

Charly Brand liet geen tijd verloren gaan.

Er was nog volstrekt geen aanleiding om zich onherkenbaar te maken en daarom schoot hij zijn jas aan, nam zijn hoed, en verliet het huis, om op straat een huurauto aan te roepen, en zich naar het huis van Jack Helford te laten rijden, waar hij hoopte het adres van Heywood te kunnen vernemen.

De deur werd voor hem geopend door een jong meisje, met een bleek gelaat dat maar al te duidelijk de sporen van tranen vertoonde.

Het was Ellen, de zuster van den chemicus.

Charly, die haar vluchtig kende, nam zijn hoed af en zeide:

„Het doet mij leed, Miss, dat ik u kom lastig vallen nu gij u in zulk een droevigen toestand bevindt. Maar Lord Aberdeen is vast voornemens uw broeder bij te staan, en gij wilt het mij dus wel vergeven als ik U verzoek in de boeken van uw broeder na te zien of hij misschien de adressen van het kantoorpersoneel van de heeren Macdara en Palmer heeft genoteerd.”

Het meisje keek hem even verbaasd aan en zei toen:

„Ik weet niet of die adressen u van nut kunnen zijn, maar ik weet dat mijn broeder ze had opgeschreven. Ik zal ze u aanstonds geven. Wilt gij aan Lord Aberdeen mijn hartelijken dank overbrengen voor zijn hulp? Natuurlijk weet ik dat mijn broeder volkomen onschuldig is, maar wie weet hoe lang het nog kan duren, voor de politie haar dwaling inziet.”

Zij had Charly plaats laten nemen op een eikenhouten bank in de vestibule, en verwijderde zich nu, om even later terug te keeren met een klein registertje, hetwelk zij opengeslagen aan Charly toereikte.

„Daar staan de namen en de adressen van het kantoorpersoneel van de beide compagnons, en van de werkbazen der fabriek genoteerd, mijnheer Brand. Gij kunt ze overschrijven of het boekje mede nemen als gij wilt.”

„Dan neem ik liever het kleine register mede, Miss, ik heb geen tijd te verliezen,” riep Charly, „natuurlijk zullen wij u onmiddellijk op de hoogte stellen, als wij eenig spoor van den waren misdadiger hebben ontdekt”.

„Gij gelooft dus dat hier een misdaad heeft plaats gehad?” riep het meisje ontzet uit.

„Ja, Miss.”

„Maar wie kan het dan zijn,” riep Ellen met de kleine hand op het hart gedrukt.

Daarnaar willen wij juist onderzoek doen,” gaf Charly ten antwoord. [19]

„Maar Mylord zoowel als ik zelf zijn er vast van overtuigd dat uw broeder met de geheele zaak niets uitstaande heeft.”

„Ik dank u voor die woorden, mijnheer,” hernam het jonge meisje aangedaan, terwijl zij Charly de hand drukte.

De jonge man nam met een buiging afscheid, en haastig verliet hij het huis met het boekje in den zak.

Hij had de huurauto laten wachten, zocht nu even naar het adres van Heywood, dat hij spoedig had gevonden, en gaf het den chauffeur op.

De man trok een bedenkelijk gezicht want het was een heel eind uit de buurt, maar Charly had hem spoedig weten te vermurwen door de belofte van een groote fooi.

Op een twintigtal meters van het huis van den klerk liet hij de auto stilstaan, stapte uit, betaalde den chauffeur en zond hem weg.

Van dat oogenblik begon hij een grondig onderzoek, waarbij hij zich zoo weinig mogelijk bloot gaf en dat bijna twee uur duurde.

Hij was verscheidenen belangwekkende gegevens rijker, toen hij weder terugkeerde om Raffles verslag te gaan uitbrengen.

Intusschen waren er weder nieuwe bladen uitgekomen, die nieuwe bijzonderheden brachten, betreffende het drama in de chemische fabriek, het was maar al te duidelijk dat verscheidene vooringenomen waren tegen den jonge Helford, omdat er nu eenmaal een schuldige gevonden moest worden. Men rekende het hem zwaar aan dat hij niet kon of wilde opgeven waar hij dien avond van den fabrieksbrand tusschen zes en acht uur was geweest en voorts het feit, dat hij een heftige twist met Palmer had gehad, wegens diens gedragingen tegenover zijn zuster en zijn verloofde.

En dan werd er nog iets anders bekend, het feit, dat de jonge chemicus in zekeren zin met Palmer had samen gewerkt, toen deze bezig was met het beproeven van een nieuwe springstof, waarvan echter niemand de samenstelling kende.

Raffles las dit alles met een flauwen glimlach om de lippen, terwijl hij nu en dan minachtend de schouders ophaalde.

Hij had zijn lectuur juist beëindigd, toen Charly terug keerde, en hem dadelijk in de bibliotheek opzocht.

„Wel, mijn waarde Charly, heb je iets ontdekt, wat ons behulpzaam kan zijn?” begon Raffles terwijl hij de kranten op zijde schoof.

„Het is misschien niet veel wat ik heb uitgevonden, maar ik ben overtuigd, dat je er je voordeel mee zult doen. Heywood woont daar in de Maiden Lane op kamers, hij wordt door menschen die hem kennen beschreven als een jonge doordraaier, die nog al eens aangeschoten thuiskwam.

„Sedert gisteren schijnt er een groote verandering ten goede in zijn financieelen toestand te hebben plaats gegrepen, want ofschoon hij natuurlijk wegens den fabrieksbrand tijdelijk buiten werk is, kocht hij vanmorgen in de buurt een splinternieuw motorrijwiel, nieuwe kleeren, en andere fraaiigheden en gisteravond is hij met een demi-mondaine in een chique nachtrestaurant gezien, en men verklaart dat het tarief van deze schoone bijzonder hoog is. Kortom, onze vriend Heywood schijnt het voor den wind te gaan.”

„Kan er sprake zijn van een nalatenschap?”

„Daar heb ik navraag naar gedaan, maar niemand weet er iets van.”

„Nu, dan is dat zeker een zaak om te onthouden,” zeide Raffles peinzend. „Wie weet staat het in verband met het verzoek van Macdara om den jongen snuiter uit den weg te ruimen, nu staat het volgens mij vast, dat een man, die een ander alleen maar haat, nooit een derde zou opdragen om dien man te dooden. Het wordt echter anders wanneer die man in een of ander opzicht gevaarlijk voor hem kan worden, want dan neigt men er nogal spoedig toe over, zich de diensten van anderen te verzekeren, vooral wanneer men er van overtuigd is, daardoor geen gevaar te loopen.”

„Maar in welk opzicht in ’s Hemelsnaam zou de jonge Heywood Macdara kunnen benadeelen, en wel zoo ernstig, dat de fabrikant het op zijn leven voorzien heeft?”

„Daarop kan maar een antwoord zijn, Charly, die Heywood heeft het een of ander geheim van Macdara in zijn bezit, waarvan de openbaarmaking den fabrikant aan den rand van den afgrond zou kunnen brengen.”

„Daarmee ben ik het eens, maar ik begrijp volstrekt niet wat het zou kunnen zijn.”

„Wij zullen het spoedig genoeg weten, want nog van avond ga ik naar den man toe, dien ik in opdracht [20]van Macdara had moeten vermoorden. Ik zal echter heel iets anders doen, maar wat, dat zal van de omstandigheden afhangen.”

Hij liep even nadenkend in het vertrek heen en weer en vervolgde, terwijl hij voor Charly bleef stilstaan:

„Heb je de pas uitgekomen bladen al gelezen?”

„Nog niet, bevatten ze iets bijzonders?”

„Neen, alleen wint de meenig hoe langer hoe meer veld, dat Helford wel de man zal zijn, die Palmer gedood heeft.”

„Maar voor den drommel, daar zal hij dan toch een reden voor moeten hebben?”

„Men schijnt in dit geval minnenijd een voldoende reden te achten,” kwam Raffles schouder ophalend. „Maar toch vertellen de bladen nog iets nieuws, het schijnt dat mijn protégé eenig gering aandeel heeft gehad in de proeven, welke de vermoorde fabrikant met een nieuwe en zeer krachtige springstof heeft genomen. De bladen zeggen het wel niet, maar het is toch tusschen de regels door te lezen, dat velen Helford er van verdenken, de formule voor de samenstelling van die springstof te hebben willen stelen, of het inderdaad gedaan te hebben.”

„Wacht eens,” riep Charly uit. „Zijn zuster heeft mij zijn notitieboekje mede gegeven waarin ik de adressen van de klerken en de werkbazen van de fabriek vond. Daar staan ook eenige aanteekeningen, in, waaruit jij waarschijnlijk beter zult wijs worden dan ik, want jij hebt immers ook voor chemicus gestudeerd?”

Hij had het notitieboekje uit zijn zak gehaald en overhandigde het aan Raffles, die het begon te doorbladeren, en nu en dan een zacht gegrom liet hooren.

Toen klapte hij het boekje dicht en zeide:

„Ik ben blij, dat de justitie het kleine boekje niet in handen heeft gekregen, want zij zou in staat zijn er een nieuw bewijs tegen Helford uit te putten, ik vind hier en daar een paar losse aanteekeningen met betrekking tot de nieuwe springstof, maar het is volgens mij volkomen duidelijk, dat Helford niet op de hoogte is geweest van de eigenlijke samenstelling en slechts behulpzaam was bij het bereiden van een onmisbaar bestanddeel, dat echter algemeen bekend is, picrine-zuur.”

Hij opende het boekje opnieuw en zeide na eenigen tijd:

„Hier staan ook de adressen in van den boekhouder, den facturist, en van de beide klerken. Wij zullen die heeren eens opzoeken, nog voor wij naar Heywood gaan, want misschien kunnen zij ons wel nuttige inlichtingen verschaffen.”

Hij liet zich in een stoel vallen en vervolgde:

„Laten wij nu eens trachten, de zaak zoo zuiver en eenvoudig mogelijk te stellen. Macdara en Palmer beheeren beiden een chemische fabriek, die vooruitgaande is, maar die zucht onder gemis aan bedrijfskapitaal. Palmer werkte aan een nieuwe springstof, een uitvinding, die hem millioenen moet kosten, en Macdara is een man, die te weinig geld heeft om aan al zijn wenschen te kunnen voldoen. Er breekt brand uit in de fabriek, en de vlammen grijpen om zich heen met een snelheid welke de brandweer zelf als „onbegrijpelijk” kenschetst. In een paar uren ligt de geheele fabriek in de asch, die tusschen haakjes zeer hoog verzekerd is. Onder de puinhoopen vindt men het bijna geheel verkoolde lijk van Joseph Palmer. Verder staat vast, dat de brand is uitgebroken, niet in de fabriek zelve maar op de verdieping waar de kantoren zijn; heb ik iets over geslagen?”

„Niet dat ik weet.”

„Laten wij nu eens aannemen, dat Palmer de brandstichter is, en dat hij de daad bedreven heeft om in het bezit te komen van de hooge verzekeringsom. Acht je het aannemelijk, dat hij dan niet eens den tijd zal hebben gevonden, om te kunnen vluchten, nadat hij den brand heeft aangestoken?”

„Misschien, als de vlammen inderdaad zoo bijzonder snel om zich heen grepen.….” mompelde Charly.

„Kom, kom, mijn waarde, dat is immers ondenkbaar,” hernam Raffles schouderophalend. „Zelfs al heeft de brandstichter een of ander chemisch middel geweten, waardoor de vlammen bijzonder werden aangewakkerd, dan nog zal hij wel den tijd hebben gevonden, zich zelf in veiligheid te brengen, de gangen zijn breed, er zijn twee trappen, kortom hij moet wel geheel het hoofd zijn kwijtgeraakt om in zoo’n geval mede te verbranden.”

„Als ik je dus goed begrijp, geloof je, dat Palmer in de fabriek is geweest, maar dat een ander den [21]brand heeft gesticht?” vroeg Charly, terwijl hij Raffles met aandacht aankeek.

„Dat zal althans verklaren, waarom Palmer onmogelijk meer kon vluchten,” antwoordde Raffles kalm.

„Maar de eenige, die behalve Palmer nog belang bij den brand zou hebben, dat is Macdara,” riep Charly uit.

„Ik zou verder willen gaan, Charly, en zeggen dat Palmer in het geheel geen reden had zijn fabriek in brand te steken, want hij had een ontdekking gedaan, die hem millioenen kon opleveren.”

„Weet je wel, dat je daar iets zegt van groote beteekenis, Edward?” zeide Charly.

„Ja, dat weet ik, maar het lijkt mij toch een goede oplossing, want als wij aannemen, dat Macdara het gedaan heeft, dan verschijnt zijn wrok tegen Heywood in een geheel ander licht.”

„Hoezoo?

Wel, de klerk kon hem wel eens betrapt hebben.”

Charly gaf een luiden schreeuw en riep uit:

„Maar dat is volstrekt niet onmogelijk. Wel zeker! Hij zal naar Macdara geloopen zijn en hem gedwongen hebben hem geld te geven, om daarmede zijn stilzwijgen te koopen, vandaar zijn buitensporige uitgaven, gisteren en vandaag.”

„Het verheugt mij, Charly, dat je het met mij eens bent,” zeide Raffles glimlachend. „Iets dergelijks dacht ik ook. We zullen het trouwens vanavond weten, want ik zal niet rusten, voor wij dien jongen snuiter eens nader aan den tand hebben gevoeld. [22]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Een schurk in de klem.

Het was omstreeks half acht in den avond voor Raffles en Charly, na zich te hebben vermomd, in een huurauto stapten, die hen naar de Maiden Lane zou voeren.

Beiden wisten dat hen een zware taak te wachten stond, want de jonge Heywood leek er de man niet naar te zijn om zich voetstoots gewonnen te geven.

Gedurende den rit spraken zij weinig, want hun gedachten waren geheel vervuld van het geheimzinnige drama in de chemische fabriek.

Eindelijk stond de auto stil en de twee mannen stapten uit.

Zij bevonden zich voor een groot huis, hetwelk blijkens een groot koperen bord naast de deur als pension was ingericht.

Raffles belde aan en de deur werd geopend door een oude dienstmeid.

„Is mijnheer Heywood thuis?” vroeg Raffles, en tegelijkertijd drukte hij de oude getrouwe een geldstukje in de hand.

„Als u voortmaakt, zult u hem misschien nog juist treffen mijnheer, want als ik mij niet vergis, wilde mijnheer Heywood naar een schouwburg gaan, hij heeft een dame bij zich.”

De oude meid haalde haar neus zeer hoorbaar op terwijl zij dit zeide, blijkbaar om aan te toonen, dat de dame in kwestie niet veel zaaks was.

Maar dit kon de beide mannen al heel weinig schelen, en zij begonnen de trappen te beklimmen nadat zij van de dienstbode hadden vernomen op welke verdieping hij woonde.

Toen zij halverwege de trap van de derde etage hadden bestegen, stond Charly even stil, snoof in het rond en fluisterde:

„Wij zijn zeker onder den wind der jonge dame, ik meen haar nadering reeds te ruiken.”

„Ja, zij gebruikt Jockey Club, en niet van de fijnste soort,” kwam Raffles. „Laten wij ons haasten, anders loopen wij den jongen spring in het veld nog mis!”

Zij bestegen haastig de bovenste treden van de trap, en stonden nu tegenover Adolph Heywood en een vrouw in een lichtgrijzen avondmantel, sterk gedecolleteerd, en met een onmetelijken hoed op, waarvan een groote reigerveer afhing.

Zij was dik geschminkt en verspreidde een lucht, waarvan Charly naderhand verklaarde, dat zij een sterk man op tien passen afstand had kunnen neervellen.

Deze dame was bezig haar handschoenen dicht te knoopen en de klerk hield zich onledig met het aansteken van een versche sigaret.

Hij was zeer modieus gekleed en een groote gardenia stak in het knoopsgat van zijn lichte overjas.

„Ik vraag duizend maal verschooning, mijnheer Heywood, als ik u soms kom storen,” begon Raffles met den hoed in de hand, „maar ik zou u gaarne over een zeer gewichtige aangelegenheid even willen onderhouden.”

De klerk fronste de wenkbrauwen en zeide:

„Eigenlijk ben ik gehaast mijnheer, is het werkelijk van zoo veel belang wat gij mij te zeggen hebt?”

„Van zeer groot belang.”

„Maar ik sta op het punt naar een schouwburg te gaan,” hernam Heywood ongeduldig.

„Naar welke, als ik vragen mag?” vroeg Raffles. [23]

Heywood keek hem even verbaasd aan en antwoordde bijna zijns ondanks:

„Naar het Haymarket theater!”

„O, dan verliest gij niet veel als gij niet gaat,” kwam Raffles met uitgezochte beleefdheid. „Ik ken het stuk, de schrijver is een prul. Gij zoudt uw tijd slechts beklagen, dien gij er aan besteed, ik verzeker u dat het onderwerp van ons gesprek veel belangwekkender zal zijn.”

De vrouw had intusschen ongeduldig staan wachten, en vroeg nu tamelijk scherp zich tot den klerk wendend:

„Hoe is het? Gaan wij, of gaan wij niet?”

Onmiddellijk wendde Raffles zich tot de demi-mondaine, en zeide nog steeds even beleefd:

„Niemand zal u weerhouden, madame, het Haymarket theater gelukkig te maken met uw aanwezigheid!”

„Zulk een onbeschaamdheid heb ik nog nooit beleefd,” riep de vrouw toornig uit, „duldt je dat, Adolph?”

Voor de klerk iets had kunnen antwoorden, zeide Raffles vriendelijk:

„O, ja, zeker duldt mijnheer Heywood het, hij is van een goedig karakter, ik ken hem; maar ik geloof, dat ik de trap voor u versper.”

Haastig trad Raffles terzijde, om de vrouw doorgang te verleenen.

Deze wierp hem een giftigen blik toe en zeide toen:

„Ik wacht tien minuten op je, Adolph, maar als je er dan nog niet bent dan ga ik alleen.”

„Maar Madame, ik zou niet graag de oorzaak zijn, dat ge hier tien minuten vruchteloos zoudt moeten wachten, ons gesprek zal zeker wel een half uur duren,” hernam Raffles sarcastisch.

„Maar weet gij wel mijnheer, dat gij buitengewoon lastig zijt?” riep Heywood nu toornig uit. „Ik heb veel lust om u.….……”

Misschien had de jonge man willen zeggen, dat hij zijn bezoeker gaarne de trap af had willen werpen, maar een enkele blik in de koude oogen van zijn bezoeker deed hem van plan veranderen.

„Ik heb veel lust om mij niet aan uw verzoek om een onderhoud te storen,” voleindigde hij den zin.

„Dat zou mij veel verdriet doen, om uwentwille,” hernam Raffles, „het is wezenlijk van veel belang.”

Hij liet zijn stem tot een zacht gefluister dalen en vervolgde, de oogen strak op het gelaat van Heywood gevestigd:

„Ik wilde u gaarne eens over den fabrieksbrand spreken. Daarover en over mijnheer Macdara.”

De jonge klerk deed een stap terug, en verbleekte zichtbaar.

Hij had echter zijn zelfvertrouwen en zijn onbeschaamdheid hervonden en zeide schouderophalend:

„Ik wil u wel eenige minuten te woord staan, mijnheeren, al begrijp ik volstrekt niet wat gij van mij kunt wenschen.”

Hij wendde zich tot de vrouw en vervolgde:

„Je moet mij tot mijn spijt verontschuldigen, Constance, ik zal het eerste half uur waarschijnlijk niet tot je beschikking kunnen zijn.”

De jonge dame uitte een vloek, die een kaaiwerker haar zou hebben benijd, en verdween ijlings langs de trap, en het was alsof zij in haar kwaadheid een wolk giftgas verspreidde, die nog geruimen tijd op het portaal bleef hangen.

Heywood keerde op zijn schreden terug, na de twee vrienden met een zwijgend gebaar te hebben uitgenoodigd hem te volgen.

Hij opende de deur van zijn woning, en even later zaten de drie mannen in een zeer eenvoudig gemeubeld vertrek, dat tevens als slaapkamer was ingericht. Heywood had zich tevens van zijn handschoenen ontdaan en begon nu:

„Gij zult mij de opmerking ten goede houden, mijne heeren, dat het wel iets zeer belangrijks moet zijn hetgeen u noopt een dame geheel alleen te laten vertrekken, en aan haarzelve over te laten.”

„O, maak u over haar vooral niet ongerust, mijnheer Heywood,” kwam Raffles met een spottend lachje. „Over vijf minuten zal zij opnieuw in gezelschap zijn—wees daar maar zeker van. Ik wil volstrekt niets afdingen op uw hoedanigheid als geestig causeur en mijnentwege als danser, maar daarom is het deze dame in de allereerste plaats niet te doen, een ander jongmensch dat over veel geld beschikt zal met het beste gevolg uw plaats kunnen innemen.”

Heywood had de lippen opeen geklemd en was van plan een grofheid te zeggen, maar de laatste opmerking deed hem voorzichtig zijn. [24]

De klerk was een zeer voorzichtige jongeman, en hij had een zeer fijn gevoel voor zekere intonaties in de stem van de menschen die met hem spraken.

Hij keek Raffles en Charly beurtelings met een loerenden blik aan en zeide toen:

„Gij denkt toch niet dat ik rijk ben?”

„En gij denkt toch zeker niet, dat wij denken, dat die jongedame van zooeven U alleen bemint terwille van uw schoone oogen?” vroeg Raffles scherp.

Hij was onder het spreken opgestaan, en betastte nu de jas, welke Heywood nog steeds aanhad, draaide haar met de voering naar buiten, streek over de zijden lapellen, en vervolgde toen goedkeurend en op een geheel anderen toon:

„Een mooi jasje. Een fijn, duur jasje, confectie maar duur. Een jas van een pond of twintig. Maar voor den drommel mijnheer Heywood, zulke jassen worden tegenwoordig alleen door zeer rijke lieden gekocht, waarom ontkent gij toch dat gij er warmpjes inzit, dat is toch geen schande.”

Verbluft, en ondanks zich zelf verschrikt staarde Heywood Raffles aan. Toen viel hij uit:

„Uw optreden is zeer zonderling, mijnheer, en ik begrijp volstrekt niet waarmede gij u bemoeit, maar toch wil ik u wel even zeggen, dat ik als eerste klerk een zeer behoorlijk salaris verdien.”

„Vijf pond in de week,” zei Raffles kalm.

Heywood stond op en riep nijdig:

„Hoe weet gij dat mijnheer, ik wil zeggen, wat wilt gij eigenlijk?”

„Ik, ik wil in het geheel niets, mijnheer Heywood, ik maak maar een paar opmerkingen zoo in het wilde weg, gij rookt daar een fijne sigaret, Queens naar ik meen, een duur merk, vijf pence per stuk.”

Hij had het wandelstokje van den jongen klerk in het vizier gekregen en liet een bewonderend gefluit hooren.

„Bij Jove, dat is niet mis,” zeide hij, „echt indisch riet, en een ivoren knop, laat eens zien wat zou dat stokje kosten, nu op zijn minst drie pond, en pas gekocht gister waarschijnlijk, want het ijzeren dopje onderaan is nog geheel rond.”

Heywood was bleek van drift geworden en rukte Raffles den wandelstok uit de hand, terwijl hij uitriep:

„Nu is het genoeg mijnheer, wilt gij mij nu eens eindelijk zeggen wie gij zijt, en wat gij hier komt doen?”

Onmiddellijk tot uw dienst, mijn waarde Heywood, ik ben de man, die u moet vermoorden.”

Heywood, die weer was gaan zitten, schoof zijn stoel met een ruk achteruit, en keek Raffles met een angstig gelaat aan, blijkbaar dacht hij met een krankzinnige te doen te hebben.

„Wat moet dat beteekenen, mijnheer, wat bedoelt gij met die woorden?” vroeg hij heesch.

„Niets anders dan ik zeg, mijn waarde heer. Ik heb van een vriendschappelijken vriend, zullen wij maar zeggen, de vereerende opdracht gekregen, u het levenslicht uit te blazen, tegen een honorarium van duizend pond, en nu ik u gezien en gesproken heb, moet ik eerlijk bekennen, dat het schitterend betaald is.”

Heywood was langzaam weer opgestaan en leunde zwaar op de tafel.

„Drijft gij den spot met mij, mijnheer, of spreekt gij de waarheid?” vroeg hij op schorren toon.

„Ik spreek de volle waarheid,” hernam Raffles bedaard.

„Dan, .…. er is maar een man op de wereld, die er belang bij kan hebben, dat ik niet meer tot de levenden behoor,” riep Heywood uit terwijl hij met de vuist op tafel sloeg.

„En die man heet Thomas Macdara,” vulde Raffles den zin aan.

Heywood keek Raffles met wijd open gesperde oogen aan, en stamelde heesch:

„Gij weet blijkbaar meer van de zaak, maar ik ben niet gek, ik zal mij niet verspreken, wees daar maar niet bang voor. Gij ziet er in het geheel niet uit als een man, aan wien Macdara zou kunnen opdragen, een ander van het leven te berooven.”

„Ik dank u voor dit compliment,” hernam Raffles spottend. „Gij hebt trouwens gelijk. Maar op het oogenblik waarop mij het voorstel werd gedaan, zag ik er heel anders uit. Wij waren in de Cannon Street, een buurt waar de misdaad welig tiert, en daar in een wijnhuis kwam uw voormalige patroon en droeg mij op u te dooden, gij schijnt hem in den weg te staan, en hij haat u als de pest.”

Een oogenblik stond Heywood met gebalde vuisten stil voor zich heen te staren, en eensklaps barstte hij uit: [25]

„Zoo, is dat de zaak, nu wij zullen eens zien, wie het laatst lacht, mijnheer Macdara.”

„Dat wil zeggen, dat gij zult spreken?” vroeg Raffles langs zijn neus weg.

„Oho, zoo ver zijn wij nog lang niet, mijn waarde heer,” antwoordde Heywood spottend. „Zie eens ik wil er geen geheim van maken, dat mijnheer Macdara mij geld gegeven heeft, opdat ik zou zwijgen over een zaak, die hem zeer onaangenaam zou kunnen worden.”

„Ha, ha. Gij drukt u zeer kiesch uit, mijn waarde heer Heywood,” riep Raffles uit. „Gij zult toch wel weten, dat er minstens vijf jaar gevangenisstraf op staat voor moedwillige brandstichting?”

Heywood wierp Raffles een eigenaardigen blik toe, en zeide langzaam:

„Ei, nu, dat valt mij nog al mee.”

„Iets anders heeft de fabrikant immers niet op zijn geweten?” vroeg Raffles, en hij keek den ander scherp aan. „Ik vraag het u, omdat gij op dien avond in de fabriek geweest zijt.”

Raffles wist dit volstrekt niet zeker, en sloeg er maar een slag naar, zooals men zegt, maar de slag trof doel.

Heywood werd krijtwit, en begon over al zijn leden te beven.

„Wie zegt dat?” vroeg hij met een vergeefsche poging zijn stem eenige vastheid te geven.

„O, al wist ik het niet, dan zou uw houding u verraden, waarde heer. Gij waart er, en gij hebt gezien wat Macdara er kwam doen. Kom, laten wij geen tijd verspillen, in de gevangenis zucht een jonge man, die totaal onschuldig is aan hetgeen men hem ten laste legt, wat gij ook heel goed weet. Ik weet niet, of het u bekend is, dat een zeer zware straf staat op .…… chantage van de soort als waaraan gij u hebt schuldig gemaakt. Het kan u ook een jaar of vijf, misschien meer kosten. Als ik u was, zou ik maar eerlijk opbiechten, voor het te laat is.”

„Zeg mij, wie gij zijt,” zeide Heywood toonloos, en blijkbaar aan een hevigen innerlijken strijd ten prooi.

„Wij zijn particuliere detectives, mijnheer Heywood.”

„Zoudt gij denken, dat ik nog vrij uit kan gaan, wanneer ik nu alles zou bekennen?” vroeg de klerk schor.

„Voor zoover het in onze macht staat, kunnen wij u wel belooven, dat er geen werk van de zaak zal worden gemaakt mits gij nu alles opbiecht.”

Heywood aarzelde nog even, de verlokking van het geld was wel zeer sterk, maar aan den anderen kant bedacht hij, dat Macdara hem laaghartig had willen laten vermoorden.

En tenslotte won zijn wraakzucht het van zijn begeerigheid, hij had toch reeds een goed bedrag binnen, en als de waarheid op andere wijze aan het licht kwam, zou hij toch zeker niets meer krijgen.

Hij richtte zich dus op, kruiste de armen over elkander, en zeide vastberaden:

„Luister dan, dan zult gij hooren, op welke wijze Macdara eerst Palmer vermoord heeft, en toen de fabriek in brand heeft gestoken, teneinde zijn misdaad te verbergen.”

Charly liet een kreet van afgrijzen hooren, daaraan had hij nog niet gedacht.

Dus Macdara was de moordenaar van zijn compagnon.

Heywood verzamelde even zijn gedachten, en deed toen het omstandig verhaal van zijn ervaringen op den avond van den fabrieksbrand.

Zonder hem een enkele maal in de rede te vallen, luisterde Raffles en Charly naar de verklaringen van den klerk.

Toen Heywood eindelijk ophield met spreken, en zich met zijn zijden zakdoekje het zweet van zijn voorhoofd wischte, zeide Raffles:

„Dus, hij pleegde den moord, nu ik wil eerlijk bekennen, dat ik daarop niet verdacht was, mijnheer Heywood, ik ben niet gewoon van mijn hart een moordkuil te maken, gij zijt een schurk in optima forma, minder omdat gij geld van den moordenaar hebt aangenomen, in ruil voor uw stilzwijgen, maar het meest, omdat gij het over uw hart hebt kunnen verkrijgen, een onschuldige bloot te stillen aan de kans dat men hem naar het schavot zond. Eigenlijk heb ik veel lust geen consideratie met u te gebruiken, maar u eenvoudig door de politie te laten halen, wij willen echter uw prille jeugd in aanmerking nemen. Geef mij nu dien knoop en het briefje, dat Miss Maud aan Palmer geschreven heette te hebben, en dat natuurlijk afkomstig is van den moordenaar. Gij zult er toch geen gebruik meer van kunnen maken maar wij des te meer.”

Nog even scheen hij te aarzelen, maar toen ging [26]hij naar een kleine secretaire, opende die, en nam uit een lade een klein pakje, waarin de brief en de manchetknoop bleken te zitten. Hij overhandigde beide voorwerpen aan Raffles en zeide:

„Ziedaar, doe er mede wat gij wilt, maar gij hebt mij beloofd dat ik buiten het geding zal blijven.”

„Slechts onder deze voorwaarden, dat Macdara bekent. Doet hij dat niet dan zal uw getuigenis onmisbaar zijn, ik reken er dus op, dat gij u ter beschikking der justitie houdt.”

„Als ik daardoor dien schurk aan den galg kan helpen, dan heb ik er zelf wel een paar jaren gevangenisstraf voor over,” riep Heywood met woest schitterende oogen uit.

[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Onvoorziene verwikkelingen.

Raffles en Charly verlieten haastig het huis, waar zij zulke kostbare aanwijzingen betreffende de schuld van Macdara hadden gekregen.

Zij riepen een huurauto aan, en gaven den chauffeur last, hen naar Regentstreet te brengen. Zoodra de auto zich in beweging had gesteld, riep Charly uit:

„Alles had ik kunnen gelooven, maar dat niet.”

„Ach, als de mensen door gouddorst gedreven wordt, dan telt hij het leven van zijn evenmensch niet,” kwam Raffles, „ik acht Macdara juist wel in staat voor zulk een daad, hij is het type van den man die voor niets terug deinst, als het de bereiking van zijn doel betreft, hij wilde rijk zijn, en hij wist, dat daartoe noodig zou zijn zich meester te maken van de formule van het Palmerit. En daar Palmer hem die natuurlijk niet goedschiks zou geven, daarom beraamde hij het helsche plan.”

„Gij gaat nu natuurlijk den booswicht dadelijk aangeven?”

„Dat spreekt van zelf, wij zullen eerst dineeren, want ons middagmaal is er bij ingeschoten, en dan zenden wij dadelijk een boodschap naar Scotland-Yard.”

Het was reeds vrij laat, toen de twee vrienden eindelijk in de kleine eetzaal in het huis aan de Regentstreet gezeten waren, en zich te goed deden aan een eenvoudig maal.

Om tien uur stonden zij op teneinde zich naar de bibliotheek te begeven, waar Raffles het schrijven aan Scotland-Yard zou opstellen. Hij voegde er den brief en den manchetknoop bij, en deelde mede, hetgeen Heywood hem had verklaard.

Natuurlijk noemde hij in het geheel niet zijn naam, maar onderteekende den brief met den eersten den besten naam die hem wilde invallen, en voegde daarbij het woord „Particulier Detective”.

Charly zou den brief met een der snelle auto’s naar het hoofdbureau van politie gaan brengen, en om niet te worden herkend, zette hij den kraag van zijn jas op, en trok den klep van zijn pet zoo diep mogelijk in de oogen.

Het was onder alle omstandigheden beter, dat men later niet zou ontdekken wie den brief gebracht had.

Pas om bij half twaalf keerde de jonge man terug en Raffles ontving hem met de woorden: [27]

„Nu ligt het maar aan de politie om Macdara te vangen. Wij hebben haar het wild onder schot gebracht, de rest is haar taak. En toch, het spijt mij een weinig, dat ik haar dien ellendeling zonder meer in handen lever, er waren nog heel wat van hem te halen geweest, onder meer de formule van het Palmerit, welke hij nu natuurlijk in zijn bezit heeft, dat moeten de papieren geweest zijn, welke Heywood hem uit den binnenzak van zijn slachtoffer heeft zien halen. Nu in ieder geval zal hij zelf wel geen gebruik meer kunnen maken van die kostbare formule door roofmoord verkregen. Als de politie maar een grondig onderzoek in zijn woning instelt, dan zal zij die papieren vinden, en begrijpen, dat Macdara en niemand anders de moordenaar van Palmer is geweest.”

„Ik begrijp nu nog niet goed, hoe Macdara er juist toe kwam, zijn slachtoffer een briefje te schrijven dat afkomstig heette te zijn van Maud Fleming.”

„Dat is anders nog al eenvoudig. Ten eerste wist hij heel goed, dat Palmer doodelijk verliefd was op Maud, en dan rekende hij er op, dat Palmer het niet zoo bijzonder zou vinden, als de verloofde van den man, wiens lot hij voor een deel in handen had, en wien hij een schitterende toekomst kon bereiden, zich naar zijn wenschen voegde. In dat verband kon het Palmer ook niet vreemd voorkomen, dat het meisje hem juist in de fabriek rendez-vous gaf want daar zou zeker niemand haar zoeken.”

„Nu, als ik ooit een schurk in mijn leven ben tegen gekomen, dan is het zeker Thomas Macdara,” barstte Charly uit. „De kerel verdient dubbel en dwars te hangen.”

„Maak je daaromtrent niet bezorgd, Charly,” kwam Raffles droogjes. „Hij zal de galg niet ontgaan.”

Toen Raffles en Charly den volgenden morgen aan de ontbijttafel zaten en vluchtig de ochtendbladen nakeken, slaakte de jonge man eensklaps een luiden kreet en bleef met een nummer van de „Daily Mail” in zijn hand stokstijf zitten.

Hij prevelde iets onverstaanbaars, en zeide toen:

„Dat is een zwaarder straf dan ik zou hebben durven eischen, al is hij een schurk.”

„Wat is er met Macdara?” vroeg Raffles, die zijn eigen blad, de „Times” liet zakken en Charly vragend aankeek.

„Het betreft Macdara niet, het is Adolph Heywood, hij is dood.……”

„Wat zeg je daar? Hoe is dat mogelijk, een ongeluk?” riep Raffles uit.

„Neen, een twist in een danshuis in de haven. Hij schijnt daarheen te zijn gegaan, nadat wij hem verlaten hadden, met de vrouw, die wij in zijn woning gezien hebben waarschijnlijk. Maar laat ik je het bericht even voorlezen. Het is heel kort.”

„Doe dat, het noodlot is hier blijkbaar streng en haastig te werk gegaan.”

Charly las met gedempte stem het volgend bericht voor:

Doodelijke twist in een danshuis.

In den afgeloopen nacht is in een nachthuis in de Cromwell Street wederom het mes getrokken ditmaal met noodlottigen afloop.

In deze inrichting, die in een zeer slechten reuk bij de politie staat, komen hoofdzakelijk souteneurs, inbrekers, ladelichters, moordenaars, chanteurs, en allerlei gespuis, reeds eenige malen heeft de politie er een goede vangst kunnen doen, als zij er in slaagde, onverhoeds binnen te vallen.

Het was omstreeks half elf toen er een paar binnentrad, welks kleederen er op wezen, dat het niet gewoon was, dergelijke danshuizen te bezoeken, tenminste wat den man betreft. Naderhand is gebleken, dat de vrouw, een bekende demi-mondaine, en een goede bekende van Scotland-Yard, vele vrienden en kennissen heeft onder de klanten van het danshuis in kwestie.

De jonge man, die in gezelschap van de vrouw was, verkeerde klaarblijkelijk onder den invloed van sterken drank, en misschien is hem dit noodlottig geworden.

Want op een gegeven oogenblik kreeg hij twist met een man die een dagelijksche klant in het danshuis is, zekere Black Bill, een vechtersbaas van het eerste water, en een berucht souteneur.

De jonge man beweerde, dat Bill zijne dame strak had aangekeken en wilde hem dadelijk te lijf gaan. Toen hij een beweging naar zijn revolverzak maakte, trok de ander zijn vlijmscherp mes, dat hem nooit verlaat, en voor iemand wist wat er gebeurde, had hij den ander neergestoken. [28]

Hij nam dadelijk de vlucht, en tot dusverre kon de politie er nog niet in slagen, zijn verblijfplaats op te sporen, maar zij acht het slechts een kwestie van tijd, want zijn signalement is reeds overal heengeseind.

Op het geschreeuw van de vrouwen, die in het danshuis waren, kwamen er eenige politieagenten toegesneld die den doodelijk gewonde naar het naastbijzijnde gasthuis vervoerden, waar hij bij aankomst echter reeds overleden scheen te zijn.

Uit het onderzoek van zijn papieren bleek, dat het slachtoffer Adolph Heywood heette, en eerste klerk was op de fabriek van Macdara en Palmer.

De ongelukkige scheen goed van geld te zijn voorzien, en men begrijpt niet, wat hij in deze buurt van misdaad en verderf uitrichtte.

De vrouw, in wier gezelschap hij was, is voorloopig in verzekerde bewaring genomen.

Charly liet het blad zakken en keek Raffles vragend aan.

Deze had de wenkbrauwen gefronst, en bleef in gepeins verzonken voor zich uit staren.

Toen hief hij langzaam het hoofd op en zeide:

„Aanvankelijk dacht ik een oogenblik, dat Macdara misschien het zekere voor het onzekere had genomen, en een ander het .…. zaakje had laten opknappen, hetwelk hij eerst aan mij had toevertrouwd. Maar bij nader inzien is dat toch niet waarschijnlijk, hij zou zich daardoor aan het groote gevaar blootstellen, dat de eerste man, aan wien hij het voorstel deed, zou klappen, daar hij nu niets op zijn geweten zou hebben. Neen—dit is toeval—en een vreeselijk!”

„Intusschen is Heywood nu dood en daarmede is een zeer gewichtige getuige van het tooneel verdwenen,” hernam Charly.

„Ja, dat valt zeker te betreuren, want die knoop en dat briefje alleen zullen misschien of zeker niet voldoende zijn, als bewijzen. Macdara zal eenvoudig volhouden, dat hij dien knoop al vroeger verloren heeft en ergens anders. En hij zal ontkennen, dat hij het briefje schreef. Staat er niets in het blad omtrent zijn arrestatie?”

Charly sloeg snel de bladen om, en eindelijk had hij gevonden wat hij zocht.

Hij slaakte een lichten kreet en riep:

„De politie kwam vannacht, om hem van zijn bed te lichten, maar zij vond den vogel gevlogen!”

„Wat? Gevlucht? Dan moet hij dus geweten hebben, wat hem boven het hoofd hing! Maar hoe?”

„Misschien heeft hij op het laatste oogenblik wel gevreesd, dat je hem zoudt verraden, natuurlijk niet als Lord William Aberdeen of als John Raffles, die hij geen van beiden kent, maar als een man, aan wien hij had opgedragen, Heywood van het leven te berooven.”

„Dat is niet onmogelijk, trouwens, ik zie geen andere reden. Hoe het zij de kerel is nu voorloopig buiten schot, en wij zullen hem moeten zoeken.

Maar lees eens eerst even voor, wat de „Daily Mail” over de zaak schrijft!”

Opnieuw begon Charly:

„DE BRAND IN DE CHEMISCHE FABRIEK.

Een opzienbarende onthulling.

Gisteren avond ontving Scotland Yard een geheimzinnige mededeeling van een particulier detective, wiens naam overigens niet voorkomt op de lijsten der Londensche detectives, waarin werd medegedeeld, dat de afzender overtuigende bewijzen had voor de schuld van den fabrikant Thomas Macdara aan den fabrieksbrand in de Bisshopstreet.

Deze bewijzen zouden afkomstig zijn van een man, aan wien Macdara moet hebben opgedragen, een lastigen ooggetuige van zijn misdaad tegen betaling van een groote som uit den weg te ruimen.

De zaak verkrijgt een zeer geheimzinnig tintje, doordat de getuige in kwestie dezelfde is, waaromtrent in een ander bericht in dit blad gemeld wordt dat hij tijdens een hoogloopende twist in een danshuis in de haven gedood werd, namelijk Adolph Heywood, eerste klerk op de fabriek van de heeren Macdara en Palmer.

Bij den brief waren een paar voorwerpen gevoegd, die door Macdara verloren moeten zijn, toen hij zich in het kantoor zijner fabriek bevond, teneinde daar zijn moorddadig opzet te gaan volbrengen.

Het is de vraag, of het valt vast te stellen, dat Macdara inderdaad de moordenaar van Palmer en de brandstichter tevens is geweest, daar de voornaamste getuige dood is, maar [29]in ieder geval vond de politie, die laat in den avond uittoog om den verdachte te arresteeren, den vogel gevlogen.

Niemand weet waar hij zich op dit oogenblik bevindt, noch kan iemand zeggen, hoe Macdara gewaarschuwd werd, dat men hem verdacht van de dubbele misdaad!”

„O, daar zorgen de bladen wel voor!” riep Raffles op schamperen toon uit, toen Charly de korte lezing van het bericht beëindigd had. „Bescheidenheid en voorzichtigheid zijn zaken waarmee men de heeren van de pers niet moet aankomen als het er om gaat, het publiek een primeur voor te zetten, of zijn lust naar sensatie te bevredigen.”

„Maar Macdara zou toch immers aan het bericht dat ik je zooeven voorlas, niets gehad hebben, als men reeds gisteravond kwam om hem te arresteeren,” kwam Charly.

„Dat is zoo, maar er hebben reeds andere berichten ingestaan, soms van enkele regels, maar waaraan een schrander man voldoende heeft om zich een oordeel te kunnen vormen omtrent de mate van het gevaar waarin hij verkeert. Hoe dan ook, de kerel heeft de vlucht genomen en wist wat hem boven het hoofd hing, al begrijp ik niet goed waardoor, want in ieder geval heeft hij niet uit de bladen eenig gegeven kunnen putten, waaruit kon blijken, dat men hem reeds verdacht. Hij was volkomen buiten spel, totdat Scotland Yard mijn briefje ontving.”

„Kan Heywood zelf hem niet gewaarschuwd hebben?”

„Dat klink niet zeer waarschijnlijk, mijn waarde, zou de eene man dat over hebben voor den ander, die een sluipmoordenaar op hem afzond? Neen, dat is niet aan te nemen.”

„Macdara zal wel den tijd hebben gevonden, de gestolen formule mede te nemen?”

„Hij zou eerder alles hebben achtergelaten, dan juist die formule, want hij weet wel, dat die steeds en ten alle tijde een fortuin blijft vertegenwoordigen. Als hij er bijvoorbeeld in zou slagen, ons land te verlaten, dan zou hij de uitvinding van zijn slachtoffer aan iedere Buitenlandsche Mogendheid voor vele millioenen kunnen verkoopen.”

„Men zal toch wel zoo verstandig zijn geweest, alle havens goed te doen bewaken?”

„Voor zoo dom zie ik de politie niet aan, dat zij dat zou nalaten,” riep Raffles uit. „Neen, ik ben niet bang, dat Macdara het land reeds heeft kunnen verlaten, of het zou per vliegmachine gebeurd moeten zijn, doch die toestellen zijn nog altijd niet zoo talrijk voorhanden dat men ze maar voor het grijpen heeft, hetgeen onder sommige omstandigheden een groot voordeel kan zijn. Maar laten wij onzen tijd niet verpraten, er is mij zeer veel aan gelegen, dien schurk terug te vinden, want zoolang men hem niet in handen heeft, zoolang zal men ook mijn beschermeling Helford in arrest houden, bij gebrek aan beter als het ware.”

„Maar wij hebben niet het geringste spoor van den man,” riep Charly. „Wil je dan in een stad als Londen in het wild gaan zoeken?”

„Daaraan is natuurlijk geen denken. Als wij een stuk ondergoed van Macdara konden machtig worden, een zakdoek of iets, dat in nauwe aanraking met zijn lichaam is geweest, dan zouden wij kunnen hopen, dat Busto, mijn Iersche terrier, zijn spoor zelfs in een stad als deze zou kunnen terug vinden. Wij moeten het in ieder geval probeeren.”

Raffles drukte op den electrischen schelknop, en even later trad een oude bediende Gaston binnen.

„Laat Henderson eens dadelijk met een snelle auto voorkomen, Gaston,” zeide Raffles op den vriendelijken toon, dien hij altijd tegenover den grijsaard gebruikte. „Er is haast bij”

Gaston ging heen, en nog geen vijf minuten later stond een groote, zeer snelle wagen voor de deur van het heerenhuis.

Charly was intusschen Busto, den beproefden terrier uit zijn kennel in den grooten tuin gaan halen, en het schrandere dier was uitgelaten van blijdschap, toen hij bemerkte dat hij van de partij zou zijn.

„Maar moeten wij ons niet vermommen?” vroeg Charly.

Een oogenblik dacht Raffles na en toen antwoordde hij:

„Ja dat is beter. Wie weet, vinden wij den kerel wel vrij spoedig, en dan heb ik een appeltje met hem te schillen, en misschien komen wij in aanraking met de politie, en die kon wel eens ongewenscht verband leggen tusschen de tusschenkomst van Lord Aberdeen en het briefje van den zoogenaamden detective. Laten wij ons haasten.”

De twee mannen snelden naar hun slaapkamer en [30]het duurde niet lang, of zij verlieten die weder in een geheel ander uiterlijk.

Zij gingen het huis aan de tuinzijde uit, en stapten in de verlaten zijstraat in de auto, door Henderson bestuurd.

„Naar de Finsbury Street, Henderson, het huis van Macdara.”

De auto stoof weg.

Busto, die een plaatsje had gekregen naast zijn meester, keek zijn meester nu en dan met zijn verstandigen oogen vragend aan, alsof hij wilde weten, wat men van hem zou verlangen.

Want dat hij zou moeten werken, had het schrandere dier reeds lang gemerkt.

„Het is maar goed, dat er in Londen heel veel honden zijn, die op hem gelijken,” zeide Charly glimlachend.

„Zeg dat niet zoo hard, dat Busto het hoort,” kwam Raffles glimlachend. „Hij zou het je nooit vergeven.”

De rit duurde ongeveer een half uur.

Toen stond de auto stil voor een fraai huis, waarvoor een politieagent op post stond.

De man liet hen beiden echter dadelijk passeeren, toen Raffles en Charly hun identiteitskaarten lieten zien, volkomen echt—en alleen maar niet aan hen oorspronkelijk uitgereikt.

Een enkele bediende bleek nog in het huis te zijn, en Raffles begon hem dadelijk te ondervragen.

De man wist echter niets af van het vertrek van zijn meester, want toen deze ging sliep hij reeds.

„Maar de politie is toch hier geweest?” riep Charly uit.

„Zeker, mijnheer en zij heeft mij ook wakker gemaakt,” kwam de bediende. „Maar toen ik met de agenten naar de slaapkamer van mijnheer Macdara ging, toen was hij er niet meer.”

„Zoo, is dat de zaak,” zeide Raffles kort. „Hoe laat was dat ongeveer?”

„Twee uur in den nacht.”

„Zijt gij den geheelen avond thuis geweest?”

„Ja.”

„Hoe laat zijt gij gaan slapen?”

„Om twaalf uur.”

„Was uw meester toen reeds thuis?”

„Hij was den geheelen avond niet uit geweest.”

„Waarmede hield hij zich bezig?”

„Hij had zich in zijn werkkamer opgesloten. Ik moest hem koffie brengen, en daarop kon ik naar bed gaan. Maar eerst liet ik nog de bezoekster bij hem.”

„De bezoekster?” herhaalde Raffles langzaam, na een snellen blik met Charly te hebben gewisseld. „Zoo laat in den avond?”

„Zij zei, dat zij om een heel dringende zaak kwam, en mijnheer bepaald moest spreken.”

„Ei, ei! Hoe laat was dat?”

„Het kan ongeveer kwart voor twaalf geweest zijn.”

„Hoe zag die dame er uit, was zij jong?”

„Ja, niet ouder dan een jaar of vijf en twintig, denk ik.”

„Was het.….… een dame?”

„Nu, ik zou haar zeker zoo niet hebben genoemd,” antwoordde de bediende neusophalend. „Zij verspreidde een luchtje, alsjeblieft.”

„Jockey Club misschien?” vroeg Charly haastig.

„Ja, mijnheer, dat was het,” riep de bediende uit.

„Hoe lang is die.….… dame gebleven?” vroeg Raffles.

„Dat weet ik niet, mijnheer, want mijnheer Macdara zond mij naar bed.”

Raffles wendde zich tot Charly, en zeide op gedempten toon:

„Ga eens dadelijk aan den agent voor de deur vragen, of het mogelijk is, dat men die vrouw, je weet wel wie, dadelijk uit het arrest ontslagen heeft en vraag ook haar naam.”

Charly snelde weg, en Raffles begon geleid door den bediende, en met Busto op den voet, het huis te doorzoeken.

Hij vond een paar zijden sokken, welke Macdara juist had uitgelaten, naar de verklaring van den bediende en een beter ding om Busto lucht aan te geven had hij niet kunnen verlangen. Even later keerde Charly terug.

„De vrouw heet Irma Dale, en zij is geen tien minuten op het bureau van politie geweest, men liet haar daar los, omdat zij aan het voorval part noch deel had.”

„Nu dan is de zaak volgens mij volkomen duidelijk,” hernam Raffles op zachten toon. „Die Heywood heeft waarschijnlijk in een dronken oogenblik aan die vrouw de bron van zijn inkomsten medegedeeld, en toen hij dood was, heeft zij gedacht, dat zij met voordeel de affaire kon voortzetten, zij is [31]hier gekomen en heeft Macdara gedreigd, dat zij alles zou vertellen, en misschien ook wel, dat hij reeds gevaar liep.”

„Hoe kon zij dat weten?”

„Zij kan op het politiebureau wel iets hebben opgevangen, waar toen immers juist mijn mededeeling aankwam, maar nu genoeg gepraat, op weg.”

Busto moest aan het paar sokken ruiken, en de hond sprong dadelijk weg, zachtjes grommend.

Langzaam reed de auto achter den hond aan.

De tocht duurde langer dan twee uur en al dien tijd had het dier geen oogenblik geaarzeld of geweifeld.

En nu stond hij stil voor een laag huis in een der voorsteden en keek Raffles kwispelstaartend aan.

Juist gingen er twee agenten voorbij.

Raffles riep hen aan, zeide wie hij was, en legde den beiden mannen in enkele woorden de zaak uit.

„Zou de kerel dus hier in dit huis zijn, mijnheer?” vroeg een der ordebewaarders.

„Mijn hond kan zich niet vergissen.”

„Nu, dan zullen wij maar eens aanbellen,” kwam de andere agent.

„Vooral niet,” riep Raffles uit. „Ik zal wel opensluiten.”

En met een van zijn loopers draaide hij het slot vlug en handig open zonder eenig gerucht te maken.

De vier mannen slopen door de gang, en stonden stil, toen zij het gerucht van stemmen hoorden.

Het was Irma Dale, die sprak:

„Je gaat dus dadelijk mee naar Parijs, zoodra hier de lucht veilig is, en natuurlijk met de formule, die maken wij daar ten gelde, en ik zal je wel helpen, de duiten op te maken, haha!”

Het volgende duurde nauwelijks een paar seconden.

De vier mannen stormden binnen en in een oogenblik waren Irma en de doodsbleeke Macdara geboeid. Maar eerst had Raffles al zijn zakken nagezocht en ook zijn valies, en daar vond hij de kostbare formule en een pak bankpapier.

Hij keek Charly even aan, en zeide luchtig:

„De formule voor de rechthebbenden, de erfgenamen van Palmer, het bankpapier voor ondergeteekende!”

[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 339) bevat:

Het Avontuur van den Franschen Legatie-Secretaris. [32]

Inhoudsopgave

I. De nieuwe springstoffen. 1
II. Een noodlottige ramp. 6
III. Een noodlottige mededeeling. 9
IV. Aan het verkeerde kantoor. 13
V. Raffles stelt een onderzoek in. 17
VI. Een schurk in de klem. 22
VII. Onvoorziene verwikkelingen. 26

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 47 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
1 [Niet in bron] , 1
1 gewest geweest 1
2 natrum natrium 1
2 clientele clientèle 1 / 0
2, 18 1
4 eenigzins eenigszins 1
4 werk werkt 1
6, 6 buttler butler 1
8 mogenlijk mogelijk 1
9 afbriek fabriek 2
12 nieuw nieuwe 1
13 London Londen 1
13 shockypet jockeypet 3
14 ongestoort ongestoord 1
15 nootlottige noodlottige 1
15 beslot besloot 1
15, 18, 21 [Niet in bron] 1
16 geven gevend 1
16 geheel geheele 1
17 Airdale Airedale 1
17 Nem Neem 1
17 beinvloeden beïnvloeden 1 / 0
17, 21, 28 [Niet in bron] 1
18 onmiddelijk onmiddellijk 1
18 Daarna Daarnaar 2
19 de te 1
19 na naar 2
20 di e die 1
22 hem hen 1
22 tergelijkertijd tegelijkertijd 1
23, 24 Onmiddelijk Onmiddellijk 1
26 formulen formule 1
27 polititie politie 2
29 nie-bang niet bang 2
29 vert laten verlaten 2
29 zelf zelfs 1
29 schandere schrandere 1
30 . [Verwijderd] 1
30 , [Verwijderd] 1
31 seconde seconden 1